Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerust, zot ventje." En ze kust zijn witte baardstoppels, zoo Anne Christine dat doet. En ze kust het voorhoofd van 't krantenventertje, zij Cato Lafeber kust een logementklant, ze kust z'n tranen weg. „Goed, goed ventje," snikt ze.... „wat wou ik dat ik je je zin kon geven. Maar 't kan niet."

„Je man leeft zeker nog?" vraagt hij zacht.

„Ja," liegt ze opgelucht en staart naar de kraan van de Congo-boot.

,,'t Is jammer Cato.... we hadden zoo goed bij elkaar nog gepast, nog heel veel jaren samen. Maar nu ik alles weet.... ik praat er niet meer over."

„Dank je, Henkie," zegt ze week.

Wat was het eigenlijk dwaas: een buitenaartje, een marskramer en gazettenverkooper vraagt haar.... Cato Lafeber de machtige.... ten huwelijk. En toch denkt ze vrindelijk aan dit klein avontuur. Dit zal nooit meer te vergeten zijn, zoomin ze vergeet, dat eens een klipperschipper zijn oor tegen haar borst heeft gedrukt. Maar later, als ze terug zal gekomen zijn aan het groote water, gaat ze er haar nieuwe toekomst vergelijkenderwijs aan afmeten: toén door logementsvolk ten trouw gevraagd.... dan zullen weer mannen van aanzien voor haar buigen en beven.

Van toen af, heeft Henkie er niet meer over gesproken. Maar zijn oogen volgden haar, telkens als ze weg ging en hem haar kind ter schutse achter liet. Wat hield Henkie Blauwers wild van dat kind, ja, nu weet hij het zeker: van Anne Christine die leeft, houdt hij thans meer dan van zijn eigen jongens, die bij St. Mihiel onder de witte kruizen liggen. En daar wordt het pezig oud ventje vele jaren jonger door.... zie hem huppelen en dartelen met de jonkheid, zie hem met Anne Christine zelfs hinkelen. Wat kan zoo'n broodmager oud werkventje toch nog meedoen met de jonkheid; ja, wat is hij jong.

Sluiten