Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat geef ik om dat beeld. Zulke beelden zijn geschapen om te zwerven, ze ontzwerven je altijd weer."

„Zeker, Cato. Als jij doodgaat later, dan blijft dat beeld, dan zwerven jullie wéér van elkaar. Maar hoor jij te zijn, waar die kleine meid van jou is?"

„Ja!! O, Anne Christine, hoè is 't met Anne Christine?!"

„Goed Cato en blijf nu kalm. Ik ga je iets heel prettigs vertellen van Anne Christine. Maar alles op z'n tijd."

„Nee, nee, waar is ze?!"

„Hier is ze, Cato, wil je haar zien?!"

„Of ik haar zien wil, gek?! Zien! Haal haar hier, of ik sla je, ik knijp je, haal haar hier!"

Toen zag Cato haar eigen meisje terug. Wat was haar levend princesje gegroeid, wat zei ze lief.... moeder.... wat huppelde ze dartel, ach wat een geluk dat ze toch niet doodgereden is door die kar. Ze kust haar kind, ze huilt met haar kind, ze betast het. „Ach m'n arme Anne Christine, ach toch, wat ben jij groot geworden!"

Maar Bart Zwartewaal had nog iets te zeggen. „Hoor nog eens even, Cato en luister nu goed. Anne Christine is nu bij Marius, dat is toch 't beste, waar. Hij zorgt goed voor haar en jij bent nog zwak."

„O, gaat ze weer met je mee?"

„Ja, Cato."

„Maar zullen ze dan opletten, dat ze niet aan den waterkant zit?"

„Marius waakt. Dat was pas een goede vader geweest, Cato. Dat zie ik nu. Wees er maar erg gerust op. Maar kom jij ook naar Marius, als je genezen en weer op krachten zijnde, hier weg mag?"

„Waar m'n kind is, Bart, daar kom ik ook."

„Heldere taal, Cato. Nu herken ik je weer. Altijd recht op den man af. Precies een kerel, waar Cato."

Ze glimlacht en geeft hem een hand. „Zeg maar aan Marius, dat ik niet gegriend heb. Heel niet. Wanneer mag ik hier weer weg? Waar ben ik hier eigenlijk?"

Sluiten