Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je bent hier in een soort ziekenhuis in de buurt van Rotterdam, Cato."

„Zoo, Bart, zoo mooie jongen, jij wou mij ooren aannaaien. Een soort ziekenhuis waar? En in de buurt van Rotterdam. Maar gek ben ik niet en niet geweest ook. Dag Bart."

Ze namen afscheid. Een milde rust, als een goede zalf schrijnende wonden bedekkend, gleed over haar heen. Ze sliep lang en kalm. Toen ze weer ontwaakte (wanneer? ze wist het niet) leerde ze haar dokter kennen. Een guitige vent met een grijs sikkebaardje. En met dien dokter viel te praten. Ze mocht over enkele dagen al naar huis en Bart kwam haar halen in een auto. Om haar te brengen naar Anne Christine, naar de Kroonprinces, waar dat houten beeldje weer op 't eigenste voetstuk heette te staan.

Ik ben hier niet weg geweest, nooit heelemaal weg geweest, denkt ze, terwijl ze door het kalme zondagsche huis stapt. Alles is hier zoo vertrouwd, alle dingen staan hier nog op de oude plaats. En 't ruikt hier in 't huis nog precies als vroeger, 't is of ze vaders gouwenaar die zoo vies pruttelen en zoo lekker stinken kon, wéér ruikt. Alles is eender, behalve dan, dat er een hokje op zolder is afgeschoten en blommig behangen. „Dat is voor Anne Christine, zie je, Cato," zegt Marius bleu. Hij praat met haar, alsof ze een heel hooge voorname gast is, of ze hier aangetreden is met de millioenen van de Krimpensche Werf. Soms wil hij U tegen haar zeggen, tegen zijn eigen oudgeworden zuster.

En Cato zegt weinig. Ze gaat op alle stoelen even zitten en wat zijn die stoelen helder. Waarom zijn de menschen in 't logement daar aan de Schelde ook niet helder, want dat is toch aangenaam om te zien en om boenwas te ruiken.

's Middags loopt hij met haar rond, door de nu leege loodsen — niets is er bijgebouwd — en over de petiterige dwarshellingen. Ze ziet de poort, de bel, haar bel, de kleine

Sluiten