Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwse literatuur heel wat verhalen, waarin Inzonderheden voorkomen, die aan de Esmoreit doen denken. Dat bij voorbeeld door een oosters vorst veel gewicht wordt gehecht aan een voorspelling van een sterrenwichelaar komt o. a. ook voor in een Frans berijmd verhaal getiteld „Li Dis de l’empereur Constant”, behorende tot een cyclus van novellen, die betrekking hebben op Byzantium en de Keizers van het OostersRomeinse Rijk. En die berijmde roman berust weer op een ouder Frans prozaverhaal, waarin verteld wordt, hoe een Keizer alle moeite doet om een jongetje te doden, dat volgens een voorspelling, des Keizers dochter huwen en zelf Keizer van Byzantium zal worden. Ook hier wordt de prinses verliefd op den jongeling en de Keizer berust ten slotte in de kennelijke wil der Voorzienigheid. Ook in de roman van „Valentijn ende Nameloes”, die ons in zijn geheel slechts in een Middelnederduitse redactie bekend is, komt een voorspelling van een sterrenwichelaar voor, die sterk aan Flatus uit de Esmoreit herinnert.

Nog treffender zijn de punten van overeenstemming met het verhaal van „Jan uut den vergiere”.1) Het originele Middelnederlandse riddergedicht, dat die titel zou moeten dragen, is tot nu toe niet teruggevonden, doch er is een XVI® eeuws volksboek in de Nederlandse taal, dat hoogstwaarschijnlijk op het verloren gegane Middelnederlandse dichtwerk berust, benevens een Middelhoogduitse bewerking van diezelfde stof2). In beide wordt verteld, dat Jan (als klein kind) door Sigismund, keizer van Rome, tijdens een wandeling in „een sohoon viergiere ofte priëel’” gevonden wordt. Jans vader, graaf Ruprecht van Artois, heeft namelijk zijn kind in de tuin van het keizerlijk paleis nedergelegd. En nu is het wel merkwaardig, dat Esmoreit

*) ik vols bier de mededelingen van Dr. R. Priebsch in een artikel ,,Ein Beitrag zu den Quellen des Esmoreit*) ** (Neophilologos VII pag. 57 vlgg.) en in „Deutsche Handschriften in England”, Erlangen 1896, Dl. I pag. 241—43.

*) Beide teksten, voorzien van een Inleiding werden 1931 door Priebsch uitgegeven bij C. Winter te Heidelberg onder den titel Johan Hz derti Vergiere; zie verder blz. 13, noot 1.

Sluiten