Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

helft der XIII8 eeuw. Dezelfde schrijfwijze, doch in mindere mate dan het L. v. J., hebben. De Limburgse Sermoenen, welke Kern dateert 1320—1350x) en het Leven van Sinte Lutgart, ws. uit het begin der XIV® eeuw2); men vindt ze in het Dyekse hs. en in de Darmstadtse fragmenten van de Reinaert, beide uit de XIV® eeuw, het eerste van ^ 1340; enkele sporen er van treft men o. m. nog aan in enkele hss. van Tondalus’ Visioen en S. Patricius’ Vagevuur3) uit de XV® eeuw.

Van ^ 1300 tot ± 1400 gaat het gebruik van die spelling, die Franck4) beschouwt als een overblijfsel van een ouder gebruik, geregeld achteruit. Op grond hiervan en van ons bovenstaande besluit onder 1°, achten wij het niet al te gewaagd te veronderstellen, dat de modeltekst van onze spelen ws. opklimt tot het midden der XIV® eeuw.

Opvallenderwijze vertonen nu de boven aangehaalde teksten 5) deze overeenkomst, dat zij alle tot ons oostelijk taalgebied behoren. Het Leven van Jezus, de Limburgse Sermoenen, het Leven van Sinte Lutgart zijn Limburgs of Limburgs gekleurd; de Darmstadtse fragmenten van de Reinaert zijn volgens Willems uit de buurt van Venlo, volgens J. W. Muller6) uit Oost-Brabant. Het Dykse hs. is niet precies thuis te brengen; vermoedelijk is het noord-oostelijk; en juist door die spelling onderscheidt het zich in niet geringe mate van het Vlaamse Reinaert-hs. Voor Kern7) is „de eigenaardigheid, dat lange en

*) Deze datering geldt de tekst, niet het hs., dat uit dezelfde tijd is als het Hulthemse. Zij berust op vergelijking met andere Limb. teksten en de hier behandelde spelling wordt door Kern als bewijs naar voren geschoven. Het L. v. J. zegt hij „ziet er misschien wat ouder uit dan de Serm., vooral in spelling (u voor io, minder dubbele spelling van lange en gerekte klinkers**).

*) F. van Veerdeghem, Leven van Sinte Lutgart, Leiden 1899, blz. XXIV.

*) R. Verdeyen en J. Endkpols, Tondalus’ Visioen en S. Patricius* Vagevuur. Gent, 1914—1917, dl. II, LVT, LX, LXV (hss. BI, Br, H2); ten onrechte worden de aldaar door ons vermelde vormen als verkortingen opgegeven.

*) MiMelniederlandische Ghammatik, $ 6.

6) Er zijn meer teksten, dooh niet alle konden hier vermeld worden. Wij hebben ons tot enkele typische werken beperkt, waarbij de behandelde spellingeigenaardigheid reeds te berde werd gebracht. Discussie over bijzonderheden hebben wij eveneens vermeden, in verband met het doel dezer uitgave.

•) Critische Commentaar op Van den Vos Reynaerde, Utrecht 1919, blz. 48—49.

7) Limburgsche Sermoenen, § 10.

Sluiten