Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerekte klinkers zoowel in open als in gesloten lettergrepen veelal enkel worden geschreven”een bewijs, dat de spelling der Limb.Serm. de Middelhoogduitse nadert; J. W. Muller1) spreekt van de „zeer conservatieve, archaïstische spelling” der Darmstadtse fragmenten, „in vele gevallen nog herinnerende aan de uit Ohd. en Ond. stukken bekende, die, naar ’t schijnt en ook begrijpelijk is, in de Zuidoostelijke streken (Limburg en Oost-Brabant) langer in gebruik is gebleven dan in de meer rechtstreeks onder Franschen invloed staande Zuidwestelijke” en verwijst tevens naar „geschriften als de Limb. Sermoenen, de Aiol, de Servaaslegende enz.” Franck vond eveneens zijn voorbeelden vooral in Limburgse hss. Wel voegt hij er aan toe, dat ze ook in oud-vlaamse hss. voorkomen — Jacobs2 * *) vond zijnerzijds voorbeelden in Vlaamse oorkonden, doch zij zijn vrij zeldzaam en dagtekenen hoofdzakelijk uit de XIII® eeuw —, maar afgezien nog van het feit, dat, bij gebrek aan bronnenopgave, Franck’s opmerking niet te controleren valt en in ieder geval zou moeten getoetst worden aan de toestand, waarin de door hem bedoelde hss. ons zijn overgeleverd, blijft het een treffend verschijnsel, dat de besproken spelling, zelfs wanneer men ruimschoots rekening houdt met haar aanwezigheid ook in Hollandse oorkonden8), in de XIV® eeuw inderdaad vooral te vinden en alléén te volgen is in oostelijke, inzonderheid Limburgse teksten.

Bij het stellen van de vraag, waar de modeltékst van onze toneelspelen vandaan komt, gaan onze blikken derhalve in de eerste plaats in oostelijke richting, en meer in ’t bijzonder naar Oost-Brabant of Limburg. Taal en woordenschat van Esmoreit verzetten zich niet tegen de veronderstelling van een op de oostelijke grenzen van het oude Brabant geschreven model, integendeel. Bijmen als voeren : uren (109—110), tu, d. i. toe: u (869—860), weert : vermeert (= vermaard, 919—920), voeght :

1) loc . rit. bl. 48.

*) Vergelijkende Klank- en Vormleer der Middelvlaamsche dialecten, Gent, 1911,

§S 1, 17, 24, 63, 109.

*) Zie de opmerking van O. G, N. Vooys in De Nieuwe Taalgidst 1924 blz, 156.

Sluiten