Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die ic met oghen nie ghesach. nie - ooit.

Met rechten ic Jfamet daneken mach,

Dat ic sal hebben enen broeder:

Ic wil geme sijn suster ende moeder.

285 O .Esmoreit, wel scone jonghelinc,

Hoe sere verwondert mi dese dinc,

Dat ghi waert vonden sonder hoede,

Want ghi dnnet mi van edelen bloede

Biden ghewaden die ghi hebt an. Bld°n “ door' weKene

290 Nu comt met mi, wel seoene man, man ”= z“n^en.

t i i . , , - doen =■ behandelen.

Ic sal u als minen broeder doen.

[Op Sicilië.

De oude honing van Geciliën is ontroostbaar over het verlies van zijn zoontje. Robbrecht weet hem te overtuigen, dat de jonge koningin haar man haat en wil vergiftigen, en dat zij zelve haar kind gedood heeft.

De honing, door ijverzucht verblind, verstoot haar en doet haar gevangen zetten].

De kersten coninc.

Waer sidi, Jtobberecht, neve ooent ■ neve coen - koene

7 7 neef.

Comt tot mi, ic moet u spreken.

Mi dunct dat mi mijn herte sal breken 295 Yan groten rouwe die mi gaet an. SSTV!-““e^ait,

_ . aangrijpt.

Bobbrecht.

Ay oem, hoghe gheboren man,

Waer bi sidi al dus ontstelt? waer w = waardoor.

289 den: de nis ofwel weggekrabd, ofwel met een pluisje van het papier verdwenen', er kan niet, zoals Leendertz reeds deed opmerken, desê gestaan hebben: men kan ook lezen Bi den

290 oomt: boven de o staat een ongewoon streepje, wellicht een overblijfsel van een met de n van den in vers 289 verdwenen letter; of stond er coemt?

Sluiten