Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Markus 14 : 72), naar buiten loopen en bitterlijk weenen in de duisternis. Petrus is in zijn levenscrisis ondergegaan, is voor zijn taak niet berekend gebleken, is smadelijk ontslagen — en daar dwaalt hij rond, in vertwijfeling aan » zichzelf.

Tenminste — zoo komt het ons voor. Of liever: zoo zou het zijn wanneer de gebondene voor den hoogepriester een mensch was als wij, onbarmhartig, liefdeloos. Zoo zou het zijn wanneer het oog waarmede Petrus werd aangezien, niet het oog des Heeren was. Zeker, het blijft waar: het gevolg van dezen blik was dat Petrus als een gebroken man naar buiten ging. En toch zou ik hier willen spreken van een getrooste vertwijfeling. Ik zal u zeggen waarom: er is natuurlijk niemand ter wereld die met zekerheid kan zeggen wat precies Jezus in Zijn blik gelegd heeft, noch wat Petrus eruit verstaan heeft. Maar dat ééne moment van contact vlak na de verloochening heeft een vervolg gehad, vele weken later aan het meer van Tiberias, toen Jezus Zijn beschaamden discipel in zijn eer herstelde en wederom in dienst nam. (Joh. 21 : 15—19). Uit dit gesprek blijkt een zóó groote liefde voor Petrus, dat wij 't ons niet kunnen ontveinzen hoe iets van die liefde gesproken moet hebben uit 's Heeren blik naar den discipel in den lijdensnacht. Ofschoon ontzaglijk vernederd en beschaamd in de oogen van zijn Heer, die alles weet, heeft Petrus iets beseft van goddelijke vergeving, welke hem uit die oogen tegenstraalde. Er was toch iets zoets gemengd in zijn bittere tranen. Wij mogen spreken van een wondere troost welke uit die oogen hem tegenblonk, iets van het woord: ,,Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet bezwijke". Daarom spreek ik van getrooste vertwijfeling aan zichzelf — want de bittere smart van dien nacht is het

Sluiten