Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Z ij n zonde.

Wat was zijn zonde?

Niet zijn drift, niet zijn plunderingen. Vele Romeinsche stadhouders verrijkten zich ten koste van hunne provinciën. Dat deed men algemeen. Van Pilatus lezen wij echter, dat hij het geld niet voor zichzelf, maar aan een waterleiding voor Jeruzalem besteedde.

Ook zijn wreedheid eigenlijk niet. Het Romeinsche rijk moest zich met geweld handhaven, anders was Rome weg. Rome moest gevreesd worden — of Rome viel. En de Joden waren een lastig volk.

Ach dat alles was wel verkeerd, maar de grondfout zat in het gebrek aan levensernst. Pilatus had nooit mogen zeggen: „wat is waarheid?", omdat hij nooit ernst gemaakt had haar te vinden. Zijn zonde was niet, dat hij de waarheid niet bezat, maar zijn levensschuld lag in zijn

spel met het Hoogste.

„Daarom", zegt Carlyle, „had Pilatus door zijn spot niet de geringste kans om de waarheid te vinden".

Hij keek naar de Waarheid.

Hij sprak met de Waarheid.

Hij stond tegenover de Waarheid en „zag de waarheid niet".

Innerlijk licht had hij verspeeld.

IV. Onze roeping.

Is het dan mogelijk zoo dicht bij de waarheid te staan en haar niet te schouwen?

Velen in onzen tijd, vooral jongeren, zoeken antwoord op de vragen van hun leven. Het geslacht, dat opstond na

Sluiten