Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een kostelijk schrijn, telken jaar in processie door de stad gedragen wordt.

Eindelijk, nadat zij nog een laatsten blik hadden geworpen op het Minnewater, waar de zwanen reeds sliepen, gebruikten zij het avondmaal op het terras van een restaurant aan de Groote Markt, tegenover het Raadhuis.

Rondom hen heerschte een diepe rust, die iets beklemmends had. Het jonge vrouwtje voelde het als een druk. Zij zou gek geworden zijn, als zij genoodzaakt was geweest, voorgoed in dezen vrede zonder hoop, zonder verlangen, te leven. Toen de avond begon te vallen, kreeg zij behoefte aan het felle licht der moderne steden, behoefte, stemmen om zich heen te hooren, geluiden, beweging. In dien geest liet zij zich uit tegenover den dokter. Hun vertrek uit Brugge geleek een vlucht. En toen zij een uur later weer in Ostende waren, in het volle bruisende leven, was het Janine te moede of zij uit een kwaden droom tot de stralende werkelijkheid terugkeerde.

— Het is mooi, het is prachtig, zei zij, en toch spijt het mij, dat ik het gezien heb. Het is een verschrikkelijke hallucinatie van een stervende provincie-stad. Ik beklaag de menschen die gedwongen zijn dag in dag uit daar te leven, als mummies. Ze zijn reeds gestorven en begraven, en ze dommelen als het ware in een doodelijk vervelend paradijs. Het is een museum-stad, maar geen stad voor levende menschen.

Sluiten