Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G. H. BREITNER

DOOR

Dr A. VAN SCHENDEL

I

ZIJ, die hem in zijn jeugd gekend hebben, bewaren de herinnering aan een impulsieven jongen man, vaak fel en bruusk in zijn optreden, soms plotseling stug en gesloten, levend tussen vlagen van hartstocht en moedeloosheid en steeds geheel en al door geestdrift voor zijn kunst bezeten. Achter de uiterlijke zelfbewustheid en fiere onverschilligheid verborg zich een ontvankelijke en eenvoudige, haast naïeve natuur, die zich slechts openbaren wilde in een kleine en vertrouwde vriendenkring. Aan hem, die met zulk een uiterst gevoelig temperament bedeeld was, zou in het leven geen harde strijd onthouden worden. Zeer vroeg reeds nam die strijd een aanvang en ononderbroken moest hij zonder genade tot het einde toe gevoerd worden. De koppigheid in het vasthouden aan de eigen artistieke overtuigingen in de vroege jaren en vooral de druk van moeilijke levensomstandigheden en van een zorgehjke gezondheid waren oorzaak van een voortdurende spanning en een onrust, die een stempel op dit gehele leven zetten. Geen scherpe verbittering en geen wrok waren hier echter het gevolg van, hoeveel moeite de berusting in het lot ook gekost moge hebben. Uit de latere jaren hoort men nog verhalen over zijn goedmoedigheid en humor, ook over het steeds moeizamer werken en de geleidelijke vereenzaming, maar hoogst zelden verneemt men iets, dat duidt op het diepe leed tengevolge van de reeds zo vroeg begonnen nedergang van zijn scheppend vermogen. Het was een verborgen tragedie, die wel smartelijk moest zijn voor een, die in zijn nog niet lang vervlogen jeugd zo tot berstens toe vervuld was geweest van werkkracht en van verlangens naar grootsheid in wat hij voortbracht. Een zo terughoudend en verlegen mens had een instinctieve afkeer van het tonen van zijn gevoelens: onmededeelzaam uit beschroomdheid was hij misschien in het dagelijkse leven, maar enkel en alleen in het schilderen wilde en kon hij geven de spontane uiting en de volle maat van zijn persoonlijkheid. Zo ooit, dan mag men van hem inderdaad zeggen dat het schilderen zijn leven was, en

BREITNER

Sluiten