Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te streven. Vooral de echte schilderskwaliteiten van de drie Marissen en hun solide en op dat ogenbhk toch zo moderne technieken werden door den jongen Breitner hoog geschat en ook voor Mauve en De Bock had hij waardering. Hoewel hij zich steeds meer figuur- dan landschapschilder vond, was hij in den beginne sterk aangetrokken door het natuurgevoel van die Hagenaars; hun fijn genuanceerd schilderen in tonen, hun ruim bezien van het landschap in stemming en atmosfeer beantwoordde aan een richting van zijn eigen smaak. Zie, hoe hij in een brief van 23 Sept. 1881 aan Van

Stolk schrijft naar aanleiding van de begrafenis van prins Hendrik:

„Heden met de begrafenis heb ik heel veel mooie brokken gezien. ,,'t Weer was buitengewoon overeenstemmend akehg guur en grijs, „wel fijn grijs. Ik zal wel eens er iets van maken, maar 't zal moeilijk „zijn 't banale te vermijden in zoo'n ding. Toch geloof ik dat er iets „grootsch van te maken is in diezelfde toon als vandaag".])

Er is verwantschap in gevoel, maar er klinkt in dat „iets grootsch" een persoonlijk accent, dat wij in zijn uitlatingen van die jaren herhaaldelijk ontmoeten en dat wijst op de nog vage maar sterke drang die Breitner bezielt en hem in wezen al van de Haagse school doet verschillen.

Aan de Academie volgde hij nu nog de lessen van de naaktklasse en ook werkte hij voor zichzelf, maar hij deed steeds veel moeite om bij een schilder als leerling op het atelier te komen. Na het tevergeefs bij Rochussen, Sadée en Blommers gepoogd te hebben, kreeg hij eindelijk in 1880 een kans. Op het atelier van Willem Maris op Oud-Rozenburg kwam een plaats vrij en Breitner werd er voor een jaar als leerling aangenomen. Dit korte stadium moet toch voor zijn ontwikkeling van grote betekenis

ARTILLERIE IN DE DUINEN, AQUAREL. D. SALA & ZONEN, 'S-GRAVENHAGE.

Sluiten