Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„niet een van de velen die „ik zal moeten maken en „ook wel iets is, maar iets „waarachtigsch grootsch.

Allemaal verspild vuur G. H. Breitner."

Zo weinig is dit schroomvallige jongmens gewend dergelijke gedachten en gevoelens duidehjk en onomwonden uit te spreken, dat hij zich dra over zijn openhartigheid schaamt en verzekert: ,,'t spijt me dat ik , ,zoo'n zonderling opstel heb „verzonden". Als hij zo denkt en schrijft, is Breitner vier en twintig en in deze ongekunstelde brief zijn de hoofdtrekken van zijn wezen reeds geheel te vinden. De

gloed van zijn scheppingsdrang en, aan het eind, de onvermijdelijke depressie, de liefde voor het zichtbare leven en het eenvoudige, allerminst cerebrale natuurgevoel, zijn hier als bij verrassing helder geformuleerd. Is het niet het programma van zijn levenswerk, die regel „...ik zal de menschen schilderen op straat en in de huizen..." waarmede hij zijn opvatting van de menselijke geschiedenis uitlegt?

Het klinkt ons heden niet als iets nieuws in de oren, de uitlating van een schilder, die de mensen in hun dagelijkse leven, bij hun werk, in hun steden schilderen wil, er de grootse schoonheid van ziet en er naar streeft „le peintre du peuple" te worden, maar in het Holland van 1882 vernam men zulk een toon nog slechts bij uitzondering. Een paar jaar nog moest het duren vóór Van Deyssel gelijksoortige gedachten onder woorden zou brengen in geschriften die op de jongeren de uitwerking hadden van laaiende manifesten. Intussen was er nog één in die dagen die, evenals Breitner, gedreven door een vreemde passie, de dingen met andere ogen bekeek dan de hem omringende schilders en wonderen zag in wat de anderen onbelangrijk scheen. Waarschijnlijk van eind 1881 dateert de kennismaking van Vincent van Gogh met Breitner en de verwantschap in smaak, die de twee overigens zo ver-

DAMESPORTRET. VERZ. H. E. TEN CATE, ALMELO

Sluiten