Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

practijk rijk aan bezwaren blijkt, te verheerlijken, wanneer diezelfde practijk niet onmiskenbaar uitgewezen had hoe alléén dat stelsel, juist door zijn gezegende onvolmaaktheden, de verborgen vrijheden waarborgt, waarbuiten het geestelijke leven niet tieren kan. Wat wij schoonheid noemen kan niet samengaan met een al te streng doorgevoerde orde. Geest is een broos goed, niet tegen vorst bestand. Gevoel en verbeelding zijn, voor men het beseft, onherroepelijk dood georganiseerd. Kortom, kunst ontstaat altijd te^en de maatschappij in. Vandaar dat alle bewegingen voor sociale kunst, in weerwil van de edele verlangens der aanstichters, hopeloos mislukt zijn. De overheid, ook in een democratie en zelfs wanneer zij op haar manier de kunsten aanmoedigt en bevordert, de overheid is in wezen de vijand van alle kunstenaars, en als putje bij paaltje komt zal zij, wanneer zij over de macht daartoe beschikt, alk tegenmaatschappelijke bedoelingen de kop indrukken, onverschillig of daarbij de muze eveneens het loodje legt.

Sparta had geen kunst en het Napoleontische Frankrijk (Frankrijk op zijn slechtst) al evenmin. Een bloeitijdperk van kunst is altijd een tijdperk van politieke en sociale wanorde. Zélfs een land als Duitschland, dat nooit uitgeblonken heeft op het gebied van kunst en letteren, kende tusschen 1920 en 1930 een zeldzame opzwaai. Niet zoodra sticht de burgerij haar verstikkende orde, of elk geestelijk bedrijf wordt oogenblikkelijk gestremd. In Frankrijk is men thans ook al aan het ordescheppen, gelukkig nog op bescheiden voet en toch ziet men er de durf en de drift, de vreugde en de fantaisie reeds verschrompelen. Wij

Sluiten