Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af of liefde en vriendschap hier als grondslag mogen genomen worden? Het is, zonder moeite, te verdedigen, dat zij die de erfenis van een dichter beredderen, zich op het standpunt van den criticus der toekomst moeten trachten te plaatsen.

Voor zoover ik, zonder nauwkeurige kennis der teksten, afgaande op globale indrukken, over de nalatenschap van Karei van de Woestijne kan oordeelen, geloof ik dat deze geen verrassingen zal brengen. Het staat vrijwel vast dat het hoofdwerk in zijn laatste vorm door den dichter zelf gepubliceerd is.

Van de Woestijne's dichterlijke arbeid laat zich, gelijk men weet, in twee hoofdperioden verdeelen. De eerste is die waarin de bundels der jeugd „Verzen" (1905) en „De Gulden Schaduw" (1910) verschenen. Terwijl het wezenlijke der tweede periode van zijn schepping terug te vinden is in het meesterlijke drieluik: 1. „De Modderen Man", 2. „God aan Zee", 3. „Het Bergmeer". „De Modderen Man", de bundel die eenige van de allerschoonste gedichten van Van de Woestijne bevat (en bovendien dat wreede en wrange gedicht „Wanneer ik sterven zal", dat een der inhoudrijkste documenten voor de kennis van zijn wezen en zijn leven is) werd geschreven tusschen 1909 en 1915, „God aan Zee" tusschen 1919 en 1926, „Het Bergmeer" tusschen 1926 en 1928. Deze drie-eenheid vormt waarschijnlijk het grootste lyrische geheel in de Vlaamsche en in de gansche Nederlandsche letterkunde. Alles wat Van de Woestijne in de volle rijpheid van zijn leven en zijn talent te zeggen had, vinden wij daarin volkomen uitgesproken terug.

Sluiten