Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft, een toon zoo klaar en puur als nooit een van zijn vorige boeken had.

Wat er nog gevonden moge worden in de nalatenschap van Van de Woestijne kan nooit heel veel bijdragen tot de kennis van zijn wezen, omdat alles wat wij daarover moeten en wenschen te weten, in zijn hoofdwerk is neergelegd. Dit geldt in elk geval al reeds van de eerste publicatie na 's dichters dood. In een beperkte oplaag verscheen namelijk een bundel „Nagelaten Gedichten van Karei van de Woestijne". Deze bundel, welke, verzorgd door Jan van Krimpen, een der fraaiste stalen van Nederlandsche drukkunst werd, bevat: „Liederen te latere Ure", „Het Gelaat des Dichters" en „Liederen voor een Kind". De reeks „Liederen te latere Ure" is niet nauwkeurig te situeeren; alleen staat vast dat de gedichten, welke de reeks vormen, geschreven zijn vóór 1913, „Het Gelaat des Dichters" stamt uit 191} en de „Liederen voor een Kind" moeten ongeveer uit dien zelfden tijd zijn, want zij zijn gewijd aan zijn zoon, die toen een kind en nu een man van bij de veertig is.

En de verzen, hier bijeen gebracht, zijn dus alle geschreven in den tijd dat „De Modderen Man" ontstond, schoon zij niet in het strakke kader van dit boek passen. Zij mogen dan al voor de kennis van den mensch en den dichter Van de Woestijne niet onontbeerlijk genoemd kunnen worden, op zichzelf beschouwd zijn er enkele bij, welke tot de innigste en klaarste gedichten van den betreurden meester hooren; en in het bijzonder houd ik veel van de „Vijf Liederen voor een Kind". Hierin vinden wij Van de

Sluiten