Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bussen rinkelden bij tussenpozen gedempt achter het beschot.

Regina keek voor zich op tafel, leunend op de ellebogen, de mouwen van haar rouwjurk spanden zich slank om de armen. Zij tekende met onrustige vingers de figuren op het bonte ruitenkleed na. Tjalling speelde met de blauwe tabakszak, de pijp in zijn mondhoek smeulde uit. Ook hun gesprek was ten einde.

•—• Dus, zei Tjalling, — ik zal er in voorzien. Geld moet er komen, dat is wis. Wat Jarig bij notaris heeft, is niet genoeg.

— 't Is maar, dat ik het winkelhuis beginnen kan, herhaalde Regina; het was de derde of vierde keer, dat ze het gezegd had dit laatste uur, sinds de zaken waren bepraat. Ze sprak op de zachte en dringende toon, die in Tjalling trilling en achterdocht wekte tegelijk, waartegen hij zich verzette, en die hem flemend overmande; de toon, waarvan Regina de werking kende.

—■ Goed, zei Tjalling nog eens.

Hij klopte de pijp in de kwispedoor uit en begon de lege kop voor het laatst te vullen.

— En Ekke... voor den jongen zal ik dan een plaats bij den boer zoeken. Hij ken hier niet blijven; als de koeien van de hand gaan, blijft er geen werk over voor een fiksen jongkerel. —•

Regina s handen werden even stil. Hij zag de fcriomfschijn niet, die in haar ogen ontwaakte, en waarover ze de wimpers temperend neersloeg. Zij had haar doel bereikt. Regina zou vrij zijn. Ekke ging uit huis. Ekke, de zoon van Jarig, dien ze geboren had in de woonbok op het veen, tegen haar zin en tegen haar aard, zoals het hele huwelijk, met den ouderen man tegen haar aard was geweest. Het leven kón nog eens beginnen. Ze was veertig. Ze kende haar kracht. Ook Tjalling Wiarda... hij was bezweken voor haar, voor haar verzoek. Hij zou haar duizend gulden voorschieten bij het zaakje, den jongen uitbesteden. Regina dacht aan den dode al lang niet meer; om haar mond, waarvan de lippen gulziger

Het rad der fortuin 3

Sluiten