Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de balkenbouw van het klokkenhuis. Tjalling schrok er van. Daar lag Jarig onder de winter-aarde. Jarig met het gezicht van overrompelden harddraver, het oude gezicht, dat Tjalling niet had gekend. Jarig, die met hem in de bedstede op de Wiarda-zathe geslapen had, voor de veldwachters kwamen, om hem weg te halen. Jaren en jaren her. Tjalling's forse lange rug kromde zich. Jarig was dood. En nu zou het zijn beurt worden, om te wachten — het leven was voorbij, voorbij.

Tjalling haastte zich weg. Hij wist, dat hij hier nooit terug zou kunnen of willen keren. Hij liep de polderdijk af onder de snelvallende nacht, tastend en gehaast. In de stad brandden de lantaarns als rosse harten in hun lichtkrans; met zoeken en vragen vond hij het station weer. Hij zat in de stikkenswarme wachtkamer, zonder zich te bewegen, de handen in de zak, de beheerste boer van voorheen. Maar er was iets in hem veranderd, rampzalig; hij wist niet, wat het was. In de trein voelde hij de overmachtige uitputting, hij dommelde als beschonken in met nijgend hoofd, schrok telkens op, sperde de ogen wijd in nadrukkelijke opzet, bang om in te slapen en het station te missen, waar hij uit moest stappen.

Tegen de nacht kwam hij terug aan de Zomerweg. De sterren hingen ver en rosgloeiend in een ijzige zilverhemel. De winterlucht was geselend scherp, ze wekte Tjalling nog eenmaal. Hij waadde met lange voetstappen door de sneeuw. Hij kon nergens meer aan denken. Toen hij de kamer binnenkwam, bleef hij staan, bijna ontsteld. Achter de tafel zat Reinou, het smalle strenge gezicht in de smetloze neepjesmuts waaronder wat grijs haar kwam gegleden; de lippen stonden ingevallen, fijne rimpels kruisten het gezicht. Tjalling's hart kromp samen; hij zag voor het eerst, dat zij een óude vrouw geworden was.

Sluiten