Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij kon de deur niet meer halen. Stadsjuffers vlogen met afgrijzen uiteen, een wijde open kring stond om Tymen heen, die zijn maag omkeerde als een vuilnisvat.

Herre was heimelijk blij: er kwam een reden om te gaan. Hij rekende haastig af, — in de trein zou hij zijn deel wel terugvorderen —, sloeg de arm om Tymen heen, trok hem naar buiten. De rest van de troep volgde verbouwereerd. De turfschipper slikte moeizaam in de koele avondlucht, hij snakte een paar keer.

—• Oöoö, steunde hij opgelucht.

Ze liepen langs het water, Herre keek om naar Boukje. Maar de lange figuur van Antje gleed als een wachtende schaduw naast hem. Hij trok haar tegen zich aan. Hij hoorde Boukje verweg lachen, in de achterhoede. Even streed hij tegen zijn weerzin, toen kuste hij de droge hete mond van Antje Adzers, zoals hij het de andere had gedaan.

De klok van het station wees kwart over elf; diepe nacht voor het boerenvolk. Ze renden, om de gereedstaande trein te halen. Doodmoe, verwilderd en omwalmd van dranklucht zaten ze zwijgend in de gelijkmatige rit.

Boukje leunde tegen Herre Wiarda. Maar tegenover hem zat Antje. Haar ogen smeekten onderworpen. Herre zei evenmin als de anderen iets; doch het schokken van de wielen over de dwarsliggers herhaalde het metalen toverwoord, tot hij duizelig werd van winzieke toekomstplannen.

V

De Zondag daarop maakte Herre, toen hij Tjalling met melken had geholpen, zorgzaam zijn rijwiel schoon, borstelde het bruine pak, trok het aan en fietste op het blinkend voertuig —• de meeste welgestelden van de streek hadden er nu wel zo een ■— in de richting van Oostermeer, waar de Eisinga's woonden.

Er hing een verzadigde warmte in de woudlanen, de landwegen bogen naar het weiland af als schemergrotten, waar-

Sluiten