Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug dacht; en dat hij dien enen bedrogen had, gaf hem een besef van ijdele onmacht, zo vermoeiend, dat zijn hand eensklaps zwaar leek en hij het portier vroegtijdig sloot voor het geestdriftige uitgeleid, dat hem bereid werd. 1

Rudmer zat achter het smalle ruitje van de coupe en keek naar het overbekende, wegdraaiend uitzicht. Verre zeilen, torens, die stomp en oeroud uit het roestig rood der dorpsdaken staken, de plotselinge kletter van een brug over een groot, recht vaarwater, boerderijen, de eenzame bolwerken in de vlakte. Het volk kroop en werkte op de landen. Wat.had Vitringa ook weer gezegd? „De zwetende, lijdende, zichtbare mensheid —" Rudmer vaagde de gedachte weg. Hij wilde enkel denken aan wat hem in Amsterdam wachtte. Maar de gedachte bleef, ergens ver achter de drempel van zijn bewustzijn, klagend en zachtjes sarrend. En des avonds, toen Rudmer weer alleen zat in Reinou's statige kamer, onder het koperen tikken der regulateur, haalde hij werktuiglijk het dagboekje uit de koffer. Het had nog vele lege bladzijden; hij las het weer door, met het medelijden en de afstand van de eerste levenservaringen; het was trots alle gemaaktheid zo simpel en kinderlijk. En plotseling roerde het hem; roerde hem de ernst, waarmee hij het begonnen had, en die oprechter was geweest dan de koude zinloze roem, waarmee hij was weggetrokken. Het boekje verborg zoveel meer, dan het uitsprak. En die avond thuis, met de zachte toorts van de petroleumvlam boven zijn blonde haren, schreef hij er voor het eerst misschien de waarheid in, al was het ook in de vorm van een vraag, zoals die schor en

eenzaam in hem rees:

„Heb ik gevonden, wat ik zocht, of heb meer verloren dan

gewonnen ?

IX

Toen Rudmer in het najaar van 1899 naar Amsterdam ging, had hij maar één overtuiging: zich in geen geval door rebellerende studiegenoten te laten drijven naar paden, die hij niet op

Sluiten