Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bomen langs grachten en singels en in de tuinen der aanzienlijken verstarden nors en bladerloos; vroege sneeuw tekende met dunne zilveren glans een ander Amsterdam, een vluchtig kristallen beeld van witte boomskeletten en gevelfriezen en steile schoorstenen en ijzige bruggen, die boven zwarte wakken zweefden, maar deze glorie verregende binnen enkele dagen, en de smokige, vale winter donkerde vanuit een lage lucht. De stad kreeg, na de middag, het glimmende, verlichte, warmende van een veilige beschutting; er volgden weken, waarin Rudmer haast niet verder kwam dan de oude burgwallen, en de meeste avonden thuis sleet, studerend, lezend, in gesprek met de nieuwe vrienden bij een gematigde borrel en een partij biljart.

In Groningen had Rudmer zich steeds weldadig vereerd geweten, als zich studenten met hem bezig hielden met goedklinkende, oude namen en een voorname tongval, die zich kennelijk onderscheidde van de gemaakte voornaamheid en vermoeidheid, waarmee sommige burgerjongens de aristocraten probeerden na te apen. Ook in Amsterdam was er onder de studenten een jonge Haarlemmer, Egmont d'Aby, wiens stand en gedragslijn op Rudmer een strelende aantrekking oefenden. Egmont d'Aby woonde bij zijn oom Juliën, een notaris, die zijn studie blijkbaar helemaal betaalde; hij was levendig, zwart van haar, met een verzorgd kneveltje; hij hield er een onbevangen oprechtheid op na, om over de dingen te spreken, en hij deed het steeds zo, dat Rudmer verrukt was van de zwier, waarmee hij zonder iemand te treffen, de waarheid zei. Overmatig begaafd was hij niet; misschien was het ook een zekere luiheid, alsof hij niet helemaal verzoend was met het vooruitzicht van zijn predikantschap. Rudmer vond dat begrijpelijk; een geslacht als dat der Aby's, waarvan Egmonts tak blijkbaar verarmd was, had natuurlijk machtiger positie's in de maatschappij verdiend... Ondanks de getemperde belangstelling van Egmont, die nooit meer deed dan strikt nodig was, en meestal niet eens zoveel, had Rudmer tegenover hem een bestendig gevoel van mindere te zijn. Het was Egmonts vanzelfsprekende aristocratie •— dat onbepaalbare in taal, manie-

Sluiten