Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maker, mocht den kostganger wel lijen. Wilde haren, nou ja. Maar d r zat toch ook ernst bij... Hij moest alleen een beetje in 't rechte spoor gehouden worden — —•

Herre Wiarda lachte inwendig een grimmige lach.

De kleermaker werd onrustiger, toen Herre na de eerste vragen en de lang uitgemeten antwoorden bleef zwijgen. Hij streek zich door de starre haarborstel boven het voorhoofd. Mijnheer moest niet alles voor waar aannemen, wat men van Eisinga vertelde. Hijzelf geloofde geen kwaad van den beheerder, nog veel minder wilde hij 't zeggen. Want zijn dochter —

Een koude toornige schrik maakte zich van Herre meester.

— Dochter?

een meisje van achttien, Pieter mocht haar graag, al was ze dan arm. De kleermaker verviel in radde, opgewonden toon. Arm, maar fatsoenlijk, een best, lief meisje, alleen wat te jong misschien — en onvoorzichtig. De aderen op het witte huiswerkersvoorhoofd begonnen blauw door te schemeren. Herre zat doodstil. Ook dat nog.

—• Moet ze...?

De kleermaker stotterde en zweeg. De twee mannen, de jonge fabrieksbezitter en de vergrijzende, eerzame, doodarme kleineburgerman keken elkaar aan. Daarop zei de kleermaker langzaam, terwijl een rosse trage woede naar zijn gezicht steeg:

Maar als-ie d r laat zitten, dan zal ik 'm met mijn eigen handen —'1

Toen de man begon te huilen, ging Herre behoedzaam en verveeld naar buiten. Hij hield niet van tranen, en van dit soort tranen zeker niet. Hij wandelde rechtstreeks naar de fabriek. De deuren sloegen krakend achter hem dicht, en toen hij het geelgeverfde kantoortje met het gestippel van vliegenvuil op de ruiten betrad en voor Pieter verrees, die hem herkennend met wankele knieën opstond, kon hij zijn zwager niet meer toebijten dan een machteloos en hartgrondig „smeerlap". —

Sluiten