Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mer luisterde, verbeten en bezweet; hij had nog steeds zijn overjas aan, zijn hoed op het hoofd, en als hij de hand langs de kin streek, met een zinloos herhaald gebaar van wanhoop, voelde zijn gezicht hol en ongeschoren.

Dokter O... bleef die hele morgen; hij legde verbanden en gaf aanwijzingen en beloofde des avonds terug te komen. Toen Rudmer de kamer van Ruth binnen ging, en door de gang liep, zag hij Froukje in de keuken staan huilen. Het gezicht van de jonge verpleegster was wit en smal, en ze ontweek zijn blik zo bevreesd, alsof het haar schuld was, dat de ontsteking in Ruth's lichaam woedde. — Op de namiddag begon Ruth te ijlen. Rudmer luisterde met ontzetting. — Tante Flora. Ik hield van Rudmer, maar ik was laf. Nu is de stolp er weer, en niemand ziet het. Ik krijg een kind en niemand kan mij helpen. Ik ben bang. Ik kan niet ontsnappen. —

Dokter O... zei geen woord meer, toen hij 's avonds terug kwam. Hij stond met de rug naar Rudmer toe, en Rudmer zag de korte, sterke handen van den veteraan, in een greep op de rug, zenuwachtig trekken en schokken. Rudmer zat weer naast het bed van Ruth, alsof hij wachtte. De balans van leven en dood. Hij hoorde het kind schreien, zag, hoe de verpleegster en Froukje de wieg uit de kraamkamer droegen; het werd weer stil. De wind buiten was zilt van regen.

Ruth Wiarda d'Aby leefde nog een nacht en een morgen, nadat de koorts even verraderlijk ophield, als ze begonnen was, en haar hand roerloos werd in die van Rudmer. Toen stierf ze, zo onmerkbaar, dat hij nog steeds haar arm en vingers streelde, terwijl de zuster al wist, dat Ruth niet meer tot de levenden hoorde, maar niets dorst zeggen, voor ze het eerste koude vermoeden in Rudmer's ogen zag rijzen.

Sluiten