Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Het was Tjalling, die in de Meimaand van 1900 den zoon van zijn doden broer als kleinen knecht uitbesteedde bij Sybren Sybranda van Hardegarijp; en tot Tjalling was bet, dat Ekke Jarigs Wiarda datzelfde jaar terugkeerde, nadat bij Sybranda een zwaar stuk hout naar het hoofd had geslingerd.

Ekke was een boerenzoon van de klei, en hij wist het zelf. Zijn hoekig, lang lichaam was opgewassen en vroegtijdig gespierd in de waterlanden, tussen de vlakke weiden, waar het riet buigt en kraakt onder de wind; hij had de wilde vogels zien nestelen en boven de vissige sloten tieren, waar de eenzaamheid klotst en dreigt.

De woudstreek was anders. Ekke stond, met zijn zware rollende tongval en zijn onbeholpen jeugd, onthutst tegenover het volk en de arbeid op de zandgronden. Zijn ogen v. ilden, onder het werk, oudergewoonte de vliegende verlatenheden, de vochtige damp aan de horizonnen, de grenzeloosheid ontdekken; en zij ontmoetten elke morgen weer de beschuttende boomwal, de zachte brokkelende bodem, de bloemen, de omschaduwde boerderij, de trage eenvoud van een anderssoortige streek.

Ekke had van kinds af aan zijn vader geholpen, die aan hem hing met de grimmige tederheid van iedereen, die op late leeftijd kinderen wint; maar Jarig sprak nooit of zelden tegen hem; hier waren boeren, arbeiders, streekvrouwtjes en kinderen babbelziek. Ekke had geleerd het buitenland te maaien, met pramen hooi te varen, koeien te drijven en te verzorgen, paarden te jagen voor de melkwagens. Maar Sybranda was

Sluiten