Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine driewielige melkwagen voor te rijden, de bussen er op te slingeren, en het paard te fluiten in de doordringende gelige kou van de vroege zomermorgen. Het melken duurde niet lang, Sybranda had maar een paar melkkoeien lopen; hij bouwde. Maar het herinnerde Ekke tenminste van verre aan de klei met de zware beesten, aan het dorp, aan Jarig, aan het verleden, waaruit hij was weggerukt; hij sloot de ogen, hoorde het populierenloof als waterdroppels kletteren achter de kleine plaats van zijn ouders. Na het melken begon opnieuw de dagelijkse plaag — graven en schoffelen en wieden en kruipen, binnen de eeuwige suizelende beslotenheid van de groenomwalde akkers, zonder uitzicht, zelfs de hemel ver weg; alleen onbestemde geluiden op de nabije rijksweg verrieden de gang van het leven — maar welk?

En dan het duivelachtige genoegen van deze mensen in vragen en uithoren 1 Hij wist, waarom ze hem zoveel vroegen; ze lachten om zijn brede, slepende tongslag en om de woorden, die hij af en toe gebruikte; zijn Fries was zo zonderling voor de woudkers als het hunne voor hem. Maar zij waren in de meerderheid, en hier was hun spreekwijze wet; zij konden lachen als ingeborenen van de streek, zonder dat iemand er aanstoot aan nam, en hij voelde zich tussen hen een vreemdeling, die anders had leren denken en leven. En na het avondeten, als de landarbeiders naar huis sjokten, en de vaste knecht het dorp inslenterde, liep hij alleen over het erf; het was, als zocht hij iets, dat er toch nooit geweest was; verlatenheid woelde en trok als een pijnlijke plek in zijn borst. Bij den boer en de vrouw gaan zitten, dat dorst hij niet. Met de schroom van zestienjarigen knaap ontliep hij de jonge melkster, omdat hij haar radde tong en haar treiterend heldere ogen vreesde. En meestal klom hij, behalve op de warme avonden, als hij nog een tijdlang loom en zonder gedachten onder de wilgen en elzen van de slootkant wegdommelde, maar naar de zolder, die vol krakende geluiden en muizengejaag was. Hij stelde de wekker, ging bezweet en neerslachtig op het bed liggen, en zag achter gesloten ogen de ruimte en het water,

Sluiten