Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn kist tot het dorp op de schouder gedragen, en daar een kruiwagen geleend van den wagenmaker.

Tjalling, die opzij van de stelp stond, zag hem in stomme verbazing naderen.

Toen Ekke zijn oom gewaar werd, stokte hij; maar hij overwon ditkeer de tranen, en liep met strak, jong gezicht en koppige ogen op Tjalling toe.

Tjalling luisterde naar hem, de rimpels om zijn mond werden lang en mistroostig. Hij keek van Ekke naar de oude roodgeverfde klerenkist, die hij zelf voor den jongen van de zolder gehaald had. Hij nam de zachtzijden pet af en krabde zich machteloos verslagen achter het linker oor.

•— Wat nou, Ekke, wat nou?

Ze liepen samen naar binnen, weifelend, en beide even ongerust. Reinou schuurde de ketels in de keuken. Ze keek met kleine scherp-verraste blikken naar Tjalling op, die hakkelig en met schichtige volzinnen een herhaling begon van Ekke's verslag. Haar mond neep samen, haar hand schoof de doeken weg. Tjalling wendde zich spoedig half om, tastte kiel en broek af, en zocht bijvoorbaat troost en vlucht voor haar verwachte uitval bij pijp en tabakszak.

Maar tot zijn verbazing kwam de uitval niet. Reinou zei twee keer peinzend: Tja ■—• en keek naar Ekke. Toen haalde ze de schouders op. Haar ogen gleden langs de portretten van Herre en Rudmer op het penantkastje.

— Ik hoor het al, Tjalling... 'et is geen kind, om bij een vreemde te dienen. Het is niet anders...

Ekke's lippen zakten ietofwat verbaasd vaneen. Zijn tante sprak zo zonderling en mild, als hij haar nog nooit had gehoord.

—• Laat 'm hier dan maar helpen. De bedstee in de glop is er nog. Eten is er ook. En hij kan hier net zo goed twee gulden met werken verdienen als bij Sybren Sybranda.

Sluiten