Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reinou's bitse en gemelijke zorg voor Tjalling ontging hem niet. Ekke kende nu deze vrouw: de ernstige, vastberaden rimpeling van dit mooi-oude gezicht, de afgebeten woorden. Zij berispte Tjalling, en waakte over hem, alsof hij een dwaze, zorgeloze broer was, die men geen ogenblik uit 't oog kon laten. Eens in het midden van Maart hoorde Ekke hen in de aangrenzende slaapstee gedempt praten, nadat de lichten gedoofd waren en ieder naar bed. Hij vernam zijn naam, toen spraken ze over het huis, over land, over notaris en rentenieren. •— Een achterdochtige droefenis maakte zich bij het gehoorde van Ekke meester. — Elke avond luisterde hij, beklemd en gespannen, naar de herhaalde nachtgesprekken. En zijn angst werd zekerheid: met Mei, als de nieuwe huren ingingen, wilden zijn oom en tante de stelp van de hand doen en verlaten. —•

Het denkbeeld beroofde Ekke van de slaap. Wat ging er met hém gebeuren? Hij kon toch niet blijven... bij vreemden? Vreemden! het woord zelf joeg hem een duistere schrik aan. Hij was hier, gelukkig met zijn leven, zijn werk. Hij had zijn vervreemding en vrees leren verliezen; hij was niet langer vertwijfeld. En nu ■—■ •—■?

VI

Op een Aprilmorgen, die vochtig en zonnig over het glinsterend land lag en warm op de zandpaden blakerde, liet Tjalling door Ekke de kapsjees inspannen.

— Ik moet naar notaris, zei hij. —• En jij moet mennen, want ik vertrouw mezelf niet meer op de wegmetaldierijderij.

Ekke verkleedde zich op zijn halfbest, en haalde het paard. Ze reden stilzwijgend het erf af. De heesters van de weg en de jonge wilgen liepen met smalle groene loten uit; een verse reuk van gras en water ziltte de lucht. Achter de heesterbanken kermde het aanvangsgesjilp van jonge weidevogels. Tjalling zat onder de wijdgeworden duffel ineengedoken, zijn neus stak benig smal uit het gegroefd gezicht, de handen lagen gevouwen en wit op het leren voetendek. Ekke keek naar zijn

Sluiten