Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja, het was een zinloze wrok, en Ekke streed er tegen —• alles was immers onvermijdelijk geworden; het gesloopte lichaam van Tjalling Wiarda vroeg om rust. En toch was er in hem iets, dat oom en tante niet vergeven kon. Zij hadden hem tot zich genomen, gekleed, beloond, alsof ze hem nooit weer zouden laten gaan — nu stieten zij hem terug naar zijn eenzaamheid.

Hij had zijn geld geteld; meer dan driehonderd gulden was er over. Reinou gaf hem een linnen valies, waar hij alles, wat hij bezat, inrolde. Het werd een kort afscheid. Op de ochtend, vóór het boelgoed begon, bond hij het valies achter op de fiets. Het was nog vroeg, een gordijn van mistige droppels trilde tussen het groenend geboomte, het gras ritselde dik en vochtig tegen zijn schoenen. Zijn oom en tante stonden plechtig in de open voordeur. Hij drukte stug hun handen:

— Het allerbeste... en gezondheid, Tjalling-oom.

Reinou was als hij haastig met afscheid nemen. Maar

Tjalling, vermoeid en gebogen in zijn slobberkiel, rekte het vaarwel. Hij liep met Ekke mee de weg op; de jongen ging met gebogen hoofd naast de fiets; Tjalling's adem piepte.

— En nou niet somber, Ekke... het leven begint nog... Vergeet ons niet te schrijven, nou en dan. En kom eens weer hier... binnenkort.

Een lange mergelende hoestbui brak de begeleiding af. Tjalling bleef staan, de handen op de borst.

— Ga nou maar... stap maar op... het allerbeste...

Ekke fietste weg, zijn nieuwe schoenen kraakten op de

trappers. Het lakense pak knelde. Hij keek niet weer om. Het rijwiel gonsde zacht. Achter zich hoorde hij de hoestbuien van Tjalling in de roerige wind uiteenrafelen. De zon brak door de vochtige morgenbomen, dansende bleke ruiten van licht en donker vielen over de weg, zijn hoofd, zijn handen, het blinkend stuur.

Het was nog vroeg, toen hij in Leeuwarden kwam, waar hij de trein wilde nemen. Hij moest nog anderhalf uur wachten. Toen hij met de fiets voor het station stond, besluiteloos,

Sluiten