Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mers die geenen die er dagelijks gebruik van maken) de werken op te geven, die hunner studie meest te pas komen, opdat ik dezelve apart mocht houden tot hunne nadere dispositie" 1). Reeds twee maanden later was men zoover gevorderd, dat Flament kon berichten vrijwel alle boeken en verdere goederen naar het Voorhout te hebben laten overbrengen: ongeveer iooo kisten. Dat alles was voorloopig op de verschillende verdiepingen zoo goed mogelijk opgeslagen, opdat „het ons naderhand niet onmogelijk zoude zijn, uit zulk een beyert den order wederom te doen geboren worden" 2). Met den Directeur van het Penningkabinet was Flament het ook eens geworden over het vertrek op de eerste verdieping, dat sindsdien tot haar verplaatsing in 1935 bij die instelling in gebruik gebleven is.

Met dat al, er waren nog belemmeringen genoeg. Nog steeds was het slaapvertrek van den Prins niet ontruimd, zoodat de noodige reparatie's daar niet konden plaats vinden. De herstellingen in het Mauritshuis moesten wachten op het bestek van Ziesenis, dat maar uitbleef, zoodat Flament opnieuw machtiging kreeg, om deze werkzaamheden aan te besteden. Het liep hem daarbij mee, omdat, toen de eigenaren aan een bedrag in contanten de voorkeur gaven, ze door verschillende omstandigheden met ƒ 1600 genoegen moesten nemen, waarmede een besparing van ongeveer ƒ 5000 op het oorspronkelijke bedrag der raming verkregen werd. Onmiddellijk greep Flament dit buitenkansje aan, om te vragen een gedeelte van deze gelden voor verschillende voorzieningen in het gebouw in het Voorhout te mogen gebruiken. Het werd hem toegestaan. De Minister had gunstig geadviseerd, omdat er toch nog een overschot van belang zou overblijven, welk „goede resultaat voornamelijk aan den ijver en het voorzichtig overleg van den Bibliothecaris Flament zal moeten dank geweten worden" 3).

Falck's tevredenheid had echter een half jaar later voor ongeduld plaats gemaakt. Dan deelt hij Flament mede, bij de bezichtiging van het nieuwe gebouw de betimmering lang niet zoo gevorderd te hebben gevonden als hij dat had verwacht. Het goede seizoen voor den omslachtigen arbeid van het plaatsen der boeken was nu aangebroken en het was hoog tijd daarmede voort te maken. Daar het gemis van het gebruik der bibliotheek zich dagelijks bij de leden der Regeering deed gevoelen en tot klachten aanleiding gaf,

') A.R.A. Archief Min. Ond., N. N. en Kol. Afd. K.W.

2) A.R.A. Ibid., Flament aan den Minister, 11 Oct. 1819.

3) A.R.A. Archief Staatssecretarie, Minister aan den Koning, 19 Nov. 1819.

Sluiten