Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden1). Er kwam toen van deze, ongetwijfeld door Van Ewijck geïnspireerde oplossing niets, doordat de Koning voor het argument van de successie op dat moment nog weinig voelde en een keuze gedaan wenschte te zien uit de gepensionneerde of toelage genietende militairen of uitgevallen surnumerairs 2). Vandaar, dat op een nieuwe voordracht van den Minister bij Koninklijk besluit van 17 Juni 1824 Adriaan Beeloo, surnumerair adjunct-commies bij het Ministerie van Justitie tot onderbibliothecaris benoemd werd3).

Strandde Van Ewijck hier op de blijkbaar door den Koning gehuldigde meening, dat voor het bibliotheekvak geenerlei voorstudie vereischt was, — en wie, die den moeizamen strijd voor de erkenning van de zelfstandigheid van het ambt kent, zal zich hierover verwonderen ? — toen in 1829 door Beeloo's vertrek naar het Koninklijk Instituut voor de Marine te Medemblik andermaal de post vacant kwam, trachtte hij dezen opnieuw door een gestudeerd persoon te doen vervullen en thans met meer succes. „Het is voor de boekerij van belang," zoo schreef hij aan den Koning, „dat den Heer Flament iemand toegevoegd wordt, die met lust tot werken tevens grondige kennis en ondervinding paart. De hooge jaren van dien heer veroorloven hem niet meer om zelve zoo werkzaam te zijn als men zulks zou verlangen. Om wederom een jong mensch met zijne kennis en ondervinding voor te lichten en hem allengs in het vak op te leiden, hiertoe wordt de man te oud en de lust ontbreekt hem ook, nadat hij, zich veel moeite gegeven hebbende om den Heer Beeloo teregt te wijzen, nu op het oogenblik; dat deze hem van dienst begon te zijn, hem tot andere betrekkingen ziet overgaan. Het wordt ook dagelijks onzekerder of de Heer Flament, indien hij wederom een jong mensch voor de boekerij wilde opleiden, nog tijd genoeg voor zich zou hebben om den jongen man geheel in staat te stellen hem in zijne betrekking op te volgen. Het is den ondergeteekenden ook voorgekomen, dat men bij de vervulling van den vacerenden post niet alleen het belang der boekerij, maar tevens dat der wetenschappen zou kunnen bevorderen door het benoemen van eenen geleerden, wiens studiën en navorschingen door deze betrekking gemakkelijk gemaakt en bevorderd zouden worden" 4).

') A.R.A. Archief Staatssecretarie. Brief v. d. Min. van 14 Mei 1824, bijlage bij Kon. besl. v. 17 Juni 1824, Nr. 75.

2) A.R.A. Archief Staatssecretarie. Brief v. d. Koning v. 27 Mei 1824.

3) Beeloo (1798—1878) is vooral bekend als letterkundige. Over hem en zijn verderen levensloop N. Ned. Biogr. Wdb. V, 28.

4) A.R.A. Archief Staatssecretarie. Brief van 16 April 1829, bijlage bij Kon. besl. van 27 April 1829, Nr. 40.

Sluiten