Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volbragt zou zijn geworden". De uitkomst was echter geheel anders. „Het is Uwe Excellentie bekend," zoo gaat Holtrop in hetzelfde stuk voort, „hoe reeds in Augustus van datzelfde jaar de staatkundige gebeurtenissen aan de werkzaamheden van den Heer 2en Bibliothecaris eene geheel andere rigting gaven; slechts zelden kwam hij meer op de Bibliotheek en ik moest 3 maal 's weeks den publieken dienst op mij nemen, de registers bijhouden, enz., zoodat het werk van den catalogus, waartoe ik eigenlijk verpligt was, slechts bijwerk werd" l). Ook de hulp van Holtrop's collega Schayes bleek van zeer weinig belang te zijn, aangezien Flament „om bijzondere hem bekende redenen" dezen slechts naar het aantal der door hem vervaardigde titels wenschte te betalen, wat tot gevolg had, dat de meeste dier titels volstrekt onbruikbaar waren.

Den ioen September 1831 werd Münch, die in Stuttgart benoemd was tot bibliothecaris van de Koninklijke „Handbibliothek" met den titel van „geheimer Hofrath", als tweeden bibliothecaris ontslagen en werd Holtrop op een salaris van ƒ 1100 als zijn opvolger benoemd, maar thans weer met den titel van onderbibliothecaris. Die benoeming beteekende natuurlijk allerminst een bevordering van de werkzaamheden aan den catalogus. Integendeel, doordat Flament aan Holtrop de classificatie van de theologie opdroeg — hoevele malen reeds was de catalogiseering onder Flament in het systeem der theologie gestrand! — was alle verdere vervaardiging van titels door den nieuwen onderbibliothecaris uitgesloten. Ook de destijds voorgeschreven vergaderingen van Raad en ien en 2en bibliothecaris, waarin vooral de catalogiseering behandeld moest worden, hadden niet meer plaats. Flament, steeds naijverig op zijn positie en zelfstandigheid, had ongetwijfeld de vergaderingen met weinig geestdrift bijgewoond en zal met graagte het spitsvondige argument, dat Holtrop tot onderbibliothecaris was benoemd, terwijl de derde in het collegium een tweede bibliothecaris behoorde te zijn, gebruikt hebben, om een voortzetting der vergaderingen voor onmogelijk te verklaren. En toen dan eindelijk Schayes, die na den Belgischen opstand op zijn verzoek nog eenigen tijd in zijn betrekking was gehandhaafd, op het eind van 1832 naar zijn land terugkeerde, toen was de toestand weer geheel dezelfde als vóór 1830, zonder dat aan den catalogus veel van belang was verricht.

Deze toestand bleef verder zoo. Verandering had hierin alleen

') Arch. K.B. Rapport van 8 Oct. 1835.

Sluiten