Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht ƒ 3200 op. Het voorstel, dat Campbell in denzelfden brief, waarin hij dezen uitslag mededeelt, deed, betreffende den aankoop o.a. van een aantal incunabelen en een partij liedboekjes, werd echter door den Minister slechts ten aanzien van het eerste onderdeel goedgekeurd. Thorbecke immers, sinds 3 Januari 1871 met zijn derde ministerie opgetreden, had nog geheel dezelfde houding tegenover de Koninklijke Bibliotheek als vroeger, zoodat hij ook thans verklaarde, inplaats van de liedboekjes liever „werken van meer actueel nut" aangeschaft te zienJ).

Eenige maanden later echter stierf Thorbecke en kort daarop trad het ministerie De Vries-Geertsema op. Spoedig nam thans Campbell zijn kans waar om de Koninklijke Bibliotheek van de haar in 1850 en 1851 door Thorbecke aangelegde banden te ontslaan. In een brief van 2 Augustus 1872 zet hij zijn bezwaren uiteen en verzoekt de vroegere aanschrijvingen in te trekken. Met behoud van de bepaling omtrent de boeken, die bij voorkeur moeten worden aangeschaft, ware de verantwoording voor den aankoop op den Bibliothecaris over te brengen. Na een aanvankelijk minder gelukkige beslissing van den Minister werd door de medewerking van den Secretaris-generaal, Mr. P. F. Hubrecht, tenslotte de kwestie definitief geregeld, doordat bij schrijven van 21 December 1872 Minister Geertsema onder intrekking van alle vroegere voorschriften bepaalde, dat de gelden op de Staatsbegrooting op verantwoording van den Bibliothecaris bij voorkeur besteed zouden worden voor werken betreffende de staatswetenschap, rechtsgeleerdheid, geschiedenis en staathuishoudkunde. De keuze dier werken werd aan den Bibliothecaris overgelaten. De gelden uit den verkoop van dubbelen konden voor aankoop van andere werken besteed worden, waarvoor schriftelijk aan het Departement machtiging moest worden gevraagd. Bij een uitblijven van antwoord gedurende vijf dagen kon de machtiging geacht worden te zijn verleend.

Zoo had de Bibliothecaris eindelijk na lange jaren van onmondigheid zijn zelfstandige positie weer heroverd. Die vrijheid werd nog van te meer belang, omdat in 1876 ook aan de langzamerhand volkomen verouderde beperking tot slechts enkele vakken van wetenschap een einde werd gemaakt. Juist naar aanleiding van de beslissing van 1872, waarbij van werken op het gebied van letterkunde en andere vakken niet gesproken werd, verzocht Minister Heemskerk

Arch. K.B. Brief van 30 Maart 1872.

Sluiten