Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of het Repertorium, die onvoldoende aan hun doel beantwoorden — de klachten zijn veelvuldig en velerlei. Met name in de laatste jaren worden ze luider en als ten slotte in 1921 Bijvanck heengaat, klinkt weer dezelfde roep om reorganisatie, die bij zijn optreden gehoord was. Hoe moeten we deze schijnbare tegenspraak verklaren ?

Nog daargelaten de vraag, in hoeverre een „verklaring" hier mogelijk is, moeten wij al dadelijk constateeren, dat binnen de grenzen, die wij ons in dit hoofdstuk gesteld hebben, lang niet alle oorzaken van zeer uiteenloopenden aard, die tot dit teleurstellende einde hebben geleid, besproken kunnen worden. Als twee der voornaamste oorzaken meenen wij echter te moeten beschouwen gebreken, die ook bij de lectuur van Bijvanck's geschriften, ondanks alle meesterschap, waarvan ze getuigen, steeds weer opvallen: het gemis aan begrenzing en het gemis aan proportie. Bijvanck's studiën en artikelen mogen boeien en stimuleeren, werkelijk bevredigen doen ze ons vrijwel nooit. Zij zijn breed van visie, maar niet strak van bouw. Zij geven uitzichten naar alle kanten, maar sluiten daarom ook nimmer af. Zij verwijlen uitvoerig bij onbelangrijke zaken, om met het grootste gemak over de meest essentieele kwesties heen te glijden. Te dikwijls worden de beelden, die Bijvanck ons schetst, door hem op zeer talentvolle wijze verteekend tot een historisch niet meer verantwoorde en onaanvaardbare voorstelling. Zoo dwaalt degeen, die met Bijvanck zich in de velden van geschiedenis en literatuur begeeft, in een landschap, waar licht en schaduw op de wonderlijkste wijze elkaar afwisselen en de dingen een altijd verrassenden, maar ook dikwijls fantastischen vorm aannemen; en het doel aan den horizon, dat zich aanvankelijk zoo duidelijk afteekende, vervaagt steeds meer en is aan het einde van den tocht verder dan ooit.

Gevoel voor belijning, gevoel voor proportie, het zijn onzes inziens de twee eigenschappen, die Bijvanck ook als Bibliothecaris te veel ontbroken hebben. Het gemis daarvan deed zich hier des te sterker gevoelen, omdat het niet vergoed werd door een corrigeerende vakkennis. Bijvanck achtte een vakopleiding voor bibliothecaris niet noodig en beriep zich tot staving zijner opinie op zijn eigen loopbaan. De dalende lijn van die loopbaan bewijst, hoe onjuist zijn meening, zelfs voor iemand van zijn formaat, was. Bijvanck kende niet alleen de dagelijksche techniek van het bedrijf onvoldoende, maar hij had ook voor de algemeene vakproblemen geen belangstelling. Tot zijn schade. Ware hij hier beter georiënteerd geweest, de ervaringen van de Bibliothèque Nationale en het British Museum met de syste-

Sluiten