Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XV.

„Ik ga eens naar mijn kamer; ik heb vreeselijk gezellig met U zitten babbelen, lieve mevrouw," zei mevrouw van Doesselaer, toen zij en mevrouw van Haemsteede bij de conversatie nu al een paar maal in herhalingen waren vervallen, hetgeen altijd een zeker teeken is, dat men uitgepraat raakt.

„Dat vind ik ook," zei die laatste dame. „Ik hoop, dat we nog veel aan elkaar zullen hebben. Tenzij U uw schoonzoon vindt, want dan vrees ik, dat die U wel naar zijn hotel zal halen!"

„Dat zou niet onmogelijk zijn," antwoordde mevrouw van Doesselaer, echter op een toon, welke niet zoo heel zeker klonk.

„Of mogelijk komen zij dan hier. Dat zou aardig zijn!"

„Dat zou het inderdaad," zei mevrouw van Doesselaer op dienzelfden toon.

„O, maar wacht U nog even, daar komt Christiaan juist terug" zei mevrouw van Haemsteede, „mogelijk heeft die nieuws."

En inderdaad stapte Christiaan daar juist het hek binnen en kwam haastig en met een lachend gezicht naar de beide dames toe.

„Zou hij nu al?" begon zijn moeder.

„Dat kan toch niet.. ." dacht mevrouw van Doesselaer.

„Mevrouw van Doesselaer," zei Christiaan naderbij gekomen, „ik heb dat gevalletje even voor U uitgeknobeld en het is in orde hoor. Meneer Ferdinand Drent en mejuffrouw of mevrouw Dzjobs Melodia, logeeren samen in Royal St Georges, geen vijf minuten hier vandaan."

„Wat zeg je? Is het heusch waar?" kreet mevrouw van Doesselaer.

Sluiten