Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiaan. „Ik begreep er ook niets van. Enfin, maar toen stond die andere meneer Drent met die twee jonge dames ineens nogal plotseling op ; ik denk, dat het hem verveelde, want misschien is die schoonzoon van U met die rare juffrouw toch wel familie van hem. Enfin, maar toen ging hij dan weg."

Op dat oogenblik reed de hotelomnibus den voortuin in en meteen trad Jacob, die een paar valiezen droeg, uit de vestibule en keek blijkbaar zoekend uit naar zijn meesteres.

„O, daar zie ik mijn knecht," sprak mevrouw van Doesselaer, „en de hotelomnibus voor het station staat ook al voor. Het zal mijn tijd zijn voor de trein," en ze stond op.

„Maar nog even een nieuwtje, dat U misschien ook nog zal interesseeren," zei Christiaan, terwijl zijn moeder ook opstond. „U weet wel laatst die eigenaardige knoflooklucht in het hotel, waar een heeleboel menschen onpasselijk van zijn geworden, terwijl niemand wist waar die toch vandaan

kon komen ..."

„Ja, ja .. . maar ik moet nu gaan..." zei mevrouw van

Doesselaer, die met afgrijzen terugdacht aan dien goenagoena middag en ze stak haar hand uit naar mevrouw van Haemsteede.

„We brengen U even naar de omnibus," sprak deze echter en dan gedrieën liepen ze er naar toe.

Nou," vervolgde Christiaan dankbaar profiteerend van den geboden kans om zijn verhaal uit te vertellen, „die lucht dat begrijpt U, dat was net iets voor mij om dat eens fijntjes uit te knobelen. En waar denkt U nu wel dat die vandaan

was gekomen?"

„Ik zou het je heusch niet kunnen zeggen, antwoordde

mevrouw van Doesselaer, die haar stap verhaastte.

„Moet U hooren," hield Christiaan hardnekkig vol. „Kom Bons " en hij trok hard aan den riem, aan welken hij den hond meesleepte. „Die lucht was afkomstig van een kamer naast Uw zitkamer en daar waren de dag tevoren drie Chineezen

geweest..."

Er schokte iets door mevrouw van Doesselaer.

Sluiten