Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De bruid?" vroeg mevrouw van Doesselaer, die verbaasd het wat onduidelijke meisje herkende van dien wat spookachtigen bowlavond in het Sanatorium Waldfrieden.

„Ja, zeker," sprak Paps lachend. „De bruid en niets minder! Sedert eergisteren, hè Miep? Je kent enkele van deze dames zeker nog wel? Juffrouw van Arkel," stelde hij dan meteen voor.

„Och, ja," zei mevrouw Volkers, „nu zie ik het ook."

„Is de halswervel van Uw moeder nu weer normaal?" kon mevrouw Paling niet nalaten te vragen met een ietwat scherpe stem.

De kring was te groot om rondom handjes te geven, zoodat Miep er zich maar toe bepaalde om wat verlegen lachend te buigen, waarna Maud haar dadelijk mee trok en zoo tactvol belette, dat Miep antwoord zou moeten geven op de wat stekelige vraag van mevrouw Paling.

„En juffrouw Te Meetelaar," sprak Paps, „slaagt U er altijd zonder veel moeite in om onder Uw troepje de orde te bewaren?" en Paps proefde na die vraag met zichtbaar welgevallen van den cocktail, die een der meisjes juist voor hem neerzette, terwijl Christiaan nu nog slechts een bescheiden teugje nam van zijn derde glas Ranja en er ook weer wat normaler begon uit te zien.

„O ja, meneer Drent," zei juffrouw Te Meetelaar. „Het kost wel eens moeite. Zeker, maar als de geest onder de meisjes maar goed is en er geen celvorming ontstaat, dan valt het heusch wel mee."

„Celvorming? Versta ik dat goed?" vroeg de steeds weetgierige en scherp-aandachtige mevrouw van Wely. „Ik dacht, dat dit alleen bij de bijen voorkwam."

„Versta ik goed, dat dat meisje ... e . . . dinges ... de bruid is?" vroeg mevrouw van Doesselaer.

„Ja, ja, zeker Mama," antwoordde Paps, „een echte bruid hoor!"

Op dat oogenblik kwam Maud terug en fluisterde haar vader wat in.

Hij lachte en stond op.

Sluiten