Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of the author Spencer fundeert echter de krachtover¬

schottheorie beter dan Schiller. Door de steeds verder voort¬

schrijdende evolutie beschikken de hoogere diersoorten en de mensch over dermate gedifferentieerde capaciteiten, dat zij in den strijd om het bestaan lang niet al hun krachten meer op¬

gebruiken. De overgeschoten krachten „are so eager to

discharge", dat zij zich uiten in handelingen, die het werkelijke leven imiteeren en spel genoemd worden. Aan deze laatste opmerking, namelijk dat het spel berust op imitatie van de werkelijkheid, wordt in de literatuur weinig aandacht geschonken, terwijl dit juist het eenigst nieuwe is, dat Spencer aan de reeds door Schiller verkondigde opvatting heeft toegevoegd. Hier wordt voor het eerst aandacht geschonken aan den inhoud van het spel, hoewel de verklaring die Spencer er voor geeft, onvolledig is. Want al berusten sommige spelhandelingen inderdaad op imitatie van de realiteit, de inhoud van verreweg de meeste spelen kan, zooals later zal blijken, hiermee niet worden verklaard.

Dat het spel veroorzaakt wordt door een overschot van krachten, is ook slechts ten deele waar. Een boeiend spel wordt meestal, niettegenstaande groote vermoeidheid, tot het uiterste voortgezet. Men denke er slechts aan, hoe dikwijls kinderen over hun speelgoed heen in slaap vallen.

Een tweede argument tegen de krachtoverschottheorie wordt aangevoerd door de z.g. Erholungstheorie van S t e i nthal1), Schalier2) en L a z a r u s3), die in het spel juist een bezigheid zien, waarbij wij onze verbruikte krachten weer herkrijgen. En al zal ook deze theorie geen verklaring van het spel kunnen geven, de onvolledigheid van de krachtoverschottheorie blijkt er zeer duidelijk uit. Men zou de Erholungstheorie wellicht het best als een, zij het onvolledige aanvulling van de krachtoverschottheorie kunnen beschouwen: bij het verrichten

') H. Steinthal: Zu Bibel und Religionsphilosophie. Vortrage u. Abhandlungen, Neue Folge. Reimer, Berlijn, 1890.

2) J. Schalier: Das Spiel und die Spiele. Weimar, 1861.

3) M. Lazarus: Die Reize des Spiels. Berlin, 1861.

Sluiten