Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kind versterkt, doordat het zich hier geheel in vrijheid, naar eigen wenschen, uiten kan. Dit is dan ook de reden waarom Kohnstamm, in overeenstemming met zijn wereldbeschouwing, meent het kind, dat leeren moet het dienen van God en zijn medemenschen te stellen boven eigen wenschen en verlangens, dus boven vrijheid, geen onbeperkte toestemming tot spelen te mogen geven.

Hiermee zijn, met uitzondering van de psychoanalytische en de op de psychoanalytische gegevens gebaseerde speltheorieën, die in het volgende hoofdstuk worden besproken, de voornaamste opvattingen omtrent inhoud en zin van het spel weergegeven.

Over de opvattingen omtrent de waarde van het spel voor de opvoeding het volgende:

Schiller en Fröbel slaan het spel het hoogst aan.

Schiller zegt hierover: M „ der Mensch spielt nur, wo er

in voller Bedeutung des Wortes Mensch ist, und er ist nur da ganz Mensch wo er spielt". En bij Fröbel luidt het2): „Spielen, Spiel ist die höchste Stufe der Kinderentwicklung, der Menschenentwicklung dieser Zeit, denn es ist freitatige Darstellung des Inneren aus Notwendigkeit und Bedürfnis des Inneren

selbst Spiel ist das reinste geistige Erzeugnis des Menschen

auf dieser Stufe. Die Quellen alles Guten ruhen in ihm, gehen von ihm hervor". Geen wonder, dat Fröbel met zooveel vuur gestreden heeft voor zijn Kindergarten, de plaats waar de kleuters tijdens het werk van de moeders onder goede leiding konden spelen zooveel zij wilden en genieten van de buitenlucht. Zijn bedoeling was een speelgelegenheid in de vrije natuur aan de kinderen te verschaffen. Fröbel noemde het niet voor niets Kinder g a r t e nl

Spencer, Schalier, Steinthal, Lazarus en G roos zullen, in overeenstemming met hun theorieën, het spel, vanwege het nuttig effect dat het oplevert, ongetwijfeld naar waarde geschat hebben, al laten zij er zich niet bepaald over uit.

') F. von Schiller: Ueber die aesthetische Erziehung des Menschen. 15de brief. Prozaische Schriften.

2) F. Fröbel : Menschenerziehung. Kohier, Leipzig, 1913, blz. 33.

Sluiten