Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I I.

DE PSYCHOANALYTISCHE EN AANVERWANTE SPELTHEORIEËN.

Sigmund Freud heeft geen speciaal onderzoek gewijd aan het spel; slechts hier en daar in zijn omvangrijk werk plaatst de vader van de psychoanalyse in het voorbijgaan korte opmerkingen over dit onderwerp. Een op de psychoanalytische opvattingen gebaseerde theorie van het spel bestaat er dan ook niet. Wel ontmoet men in de overige psychoanalytische literatuur schrijvers, die Freud's opmerkingen over het spel aan de hand van psychoanalytisch verkregen materiaal hebben bevestigd en soms onze inzichten in de beteekenis van het spel hebben verdiept. Onder hen zijn Sigmund Pfeifer, Melanie Klein en Anna Freud de belangrijksten. Op hun werk zullen wij straks terugkomen.

Het is onmogelijk Freud's opmerkingen over het spel los van zijn overig werk te beschouwen. Hij merkt op, dat vorm en drijfveeren van het spel hun oorsprong vinden in motieven van het zieleleven, die aan de in het eerste hoofdstuk genoemde onderzoekers grootendeels zijn ontgaan.

Allereerst legt Freud den nadruk op de verwantschap van spel en phantasie. In zijn verhandeling „Der Dichter und das Phantasieren" ]) wijst hij op de groote overeenkomst tusschen de geesteswerkzaamheid van den dichter en die van het spelende kind: „Jedes Kind benimmt sich wie ein Dichter, indem es

die Dinge seiner Welt in eine neue, ihm gefallige Ordnung versetzt". Beide wenden zich af van de realiteit om zich een eigen, idealer wereld te verschaffen. Met de uit de realiteit bekende wezens, voorwerpen en situaties wordt naar eigen

1) S. Freud : Ges. Schr., Bd. X, blz. 230.

Sluiten