Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegelijkertijd eigenschappen heeft van een ander, alsof beide ineengevloeid zijn.

Zeer belangrijk is verder de symboolvorming, waardoor het mogelijk is om voor het bewuste ongeoorloofde voorstellingen, veelal van erotischen of sexueelen aard, te camoufleeren, door ze te vervangen door andere, onschuldige voorstellingen. De symbolen, zoo zegt F r e u d, komen voornamelijk in de plaats voor de volgende objecten en toestanden: het menschelijk ichaam en deelen daarvan, vooral de genitalia, voor ouders, kinderen, geboorte, dood en naaktheid en voor erotische en sexueele uitingen. Deze symbolen zijn universeel-menschelijke uitingen. Bij alle volkeren en ten allen tijde komen en kwamen zij voor in den zelfden vorm en met de zelfde beteekenis, in droomen, sagen, mythen, kunstuitingen, in het spel, in de neurosen en de psychosen, zelfs in de zoogenaamde „Fehlleistungen", de vergissingen.

Ook bestaat er voor het onbewuste geen tegenspraak. Tegenstellingen kunnen rustig naast elkaar voorkomen, een „ja" kan „neen" en een „neen" kan „ja" beteekenen. Het onbewuste kent verder geen tijdsbesef, alles, zoowel verleden als toekomst, is actueel. Tenslotte geldt voor het onbewuste niet de realiteit van de buiten- maar van de binnenwereld. Op een ontmoeting met een bepaalden persoon wordt bijvoorbeeld met angst gereageerd, niet omdat deze persoon objectief iets angstwekkends heeft, maar omdat zijn verschijnen onbewust herinnert aan iets anders, dat inderdaad angstwekkend was.

Wat met behulp van de verhullingspsychismen als droom tot het bewustzijn doordringt wordt de manifeste droom genoemd. Door analyse van den manifesten droom, kan men den latenten droominhoud leeren kennen. De werkzaamheid, noodig om den latenten droominhoud te verhullen, heet droomarbeid.

Al zegt hij het nergens nadrukkelijk, toch blijkt uit passages uit de „Analyse der Phobie eines fünfjahrigen Knaben" M en uit „Eine Kindheitserinnerung aus „Dichtung und Wahrheit"2),

') S. Freud: Ges. Schr., Bd. VIII, blz. 129 e. v. 2) S. Freud: Ges. Schr., Bd. X, blz. 357 e. v.

Sluiten