Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine jong eerst af met een tik, zodat het „van de sokken” ging. Verre van zich te laten afschrikken, probeerde het kleine ding opnieuw het stuk vlees onder de bek van de moeder vandaan te halen. Een tweede afwerende tik hielp al evenmin. De derde poging van het vermetele welp werd met succes bekroond, want het jong drong zich tussen de bek van de moeder en het vlees in, ging er eerst bovenop liggen en sleurde het toen tussen de poten van de moeder vandaan. De tijgerin, verbluft, stak toen „geen poot” meer uit. Ze probeerde niet, het vlees terug te krijgen. Ze liet haar jong begaan, maar ergeren deed het haar, de buit opeens kwijt te zijn. Haar woede moest ze luchten! Op haar jong deed ze het niet, omdat ouderlijke tederheid en verzorgingsdrift haar dit beletten, maar nu reageerde ze met een nijdige snauw af in de richting van den haar bekenden oppasser en mij. Zo reageren wij mensen onze geërgerdheid af op onze allemaasten, als wij onze wrevel door omstandigheden niet elders kunnen luchten!

Nu gaan wij onze grote katachtige roofdieren eens wat hun bijzondere lichaamsbouw betreft meer van dichtbij bekijken. Onder de vingers of tenen hebben ze elastische, balvormige eeltkussens, die geluid en schok van gang en sprong dempen en breken. De „vingers” en tenen zijn zodanig in hun geledingen verbonden, dat onder het lopen de scherpe, gekromde klauwen door een bijzondere peesband van de grond opgetrokken worden gehouden. Zo wordt slijtage en afstomping van de klauwen voorkomen. Eerst bij ’t grijpend toespringen (35) slaan de katachtige rovers de klauwen uit. Maar kijk nu eens naar dien tijger; hij zet zijn nagels in de boomstam, waarop hij naar boven liep. Wij zien ze nu duidelijk te voorschijn komen en terwijl hij ze in het hout priemt, zet hij zich schrap en rekt zich flink uit, zoals wij dat ook wel na een dutje doen. Tien tegen een, dat de toeschouwer hierbij aan nagelscherpen heeft gedacht. De nagels zouden er echter maar botter van kunnen worden; het is louter een zich krachtig uitrekken na de rust, zoals dit ook de poema op plaatje 40 te zien geeft. Zo vergissen we ons wel eens meer, vooral als we te gauw oordelen en te veel van eigen menselijk standpunt uitgaan. Hier nog een staaltje, hoe men het soms lelijk mis kan hebben: het was een betrekkelijk gure namiddag; bij een der roofdieren hoorde men een aanhoudend getimmer op de ijzeren schuifdeur van het nachthok. De bezoekers, zoals altijd in zo'n geval, holden op het geluid af en zagen een leeuw steeds met een poot tegen de deur slaan. Men zei toen min of meer verwijtend tegen een juist voorbijlopenden oppasser: „Ziet U niet, dat hij het koud heeft; waarom laat U dat dier er niet in?” Men wist echter niet, dat achter deze schuifdeur een tijdens de voedering afgezonderde leeuwin zat, zodat het verklaarbaar was, waarom de leeuw naar binnen wilde. Van koude kon geen sprake zijn, want de dieren lopen de gehele winter overdag buiten, zonder er de minste last van te ondervinden, beschermd als ze zijn door hun dikke vacht, terwijl ze 's avonds goed gevoed door ons in hun warme binnenhok worden gehouden, ’s Zomers kunnen ze ’s nachts naar verkiezing in- en uitlopen.

Nu gaan we achtereenvolgens, na de Leeuwen van Afrika, Perzië en Westelijk VoorIndië en de Koningstijgers van Zuid- en Oost-Azië te hebben bekeken, een bezoek brengen aan de verschillende andere katachtigen.

Sluiten