Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de opmerking maakte: „nu heb ik al zoveel jaren diezelfde plant en bij mij zijn er nooit bloemen aangekomen.” De werkelijke bloemen van deze gepluimde sier-asperge kende ze blijkbaar niet en nu zag ze onze wandelende bloempjes daarvoor aan!

De Kameleon (89) is een hagedissensoort, die ons door zijn stil en eigenaardig uiterlijk in hoge mate boeit en waarvan dan ook veel interessants te vertellen valt. Echter kunnen we daarop in dit kleuren-hoofdstuk niet verder ingaan. Evenals de wandelende bloem is hij door zijn schutkleur niet zo zeer tegen vijanden beschermd als wel — doodstil zittend — onzichtbaar voor zijn prooi, die uit vliegen, sprinkhanen en andere insecten bestaat. Dikwijls stemt de kleur overeen met de omgeving, zodat je, voor het terrarium staande, tegelijkertijd groene, grijze of bruine kameleons kunt ontdekken. In de volle zon, wanneer ze het warm krijgen, worden ze nagenoeg wit; ze kaatsen dan, net als wij met lichte zomerkleren en tropenpakken, het zonlicht terug. Hebben ze het koud, dan worden ze heel donker en slorpen de warmtestralen uit het licht op. Als ze woedend worden, vertonen ze een dreighouding en zijn dan vooral aan de opgezette keelhuid prachtig getekend en gekleurd, terwijl het lichaam heldere vlekken vertoont.

Ook Boomkikkers (88) zijn aan kleurverandering onderhevig; ze kleven zich op de gladde oppervlakte van blad of stengel vast door rijkelijk slijm af te scheiden, vooral aan de zool vlakken van hun pootjes.

Ook dieren, die niet zoals wandelende bladen, -takken en -bloemen, of zoals de vlinders en rupsjes van het mosmetertje, een bijzondere „nabootsende” vermomming of mimicry vertonen, stemmen met hun kleuren min of meer met hun natuurlijke omgeving overeen. Bij veel dieren zien wij de kleuren zo verdeeld, dat de rug donker, maar de poten en de buik lichter of zelfs wit van kleur zijn. Als een dier overal dezelfde kleur had, zou er over de onderzijde een donkere schaduw vallen en zou een vijand, ook wanneer hij het dier zelf nog niet zou zien, de donkere schaduw opmerken en daardoor de gestalte in het oog krijgen. Maar als de buik lichter is dan de rest, wordt de schaduw niet opgemerkt. De buik krijgt dan dezelfde tint als de donkere bovendelen. Merkwaardig, dat onder de marterachtige roofdieren de das en zijn buitenlandse verwanten juist andersom zijn gekleurd, terwijl onder de herten ons de rendieren opvallen met hun vooral ’s zomers zilvergrijze ruggen tegenover de veel donkerder kleur van de onderdelen. Deze lichte kleur zou bij hen misschien van natuurlijk nut kunnen zijn, omdat zowel bij de rendieren op de toendra’s als bij de dassen, die ’s avonds de bosrand voor het open veld verlaten, de lichte kleur der bovendelen opgaat in de lichte tint van de hemel, terwijl de donkere onderdelen schuil gaan in de duistere toon van de grond. Misschien, dat rendieren zo in de verte weinig aan roofdieren opvallen en dassen voor hun prooi min of meer onzichtbaar worden, ofschoon deze beschermende kleuren al weinig baten, wannéér rover of prooi „lucht” krijgen. In verband hiermee is ’t van belang te weten, dat zoogdieren van nature trachten „onder de wind” te komen, zodat deze hun de geur van allerlei toedraagt en zij in vele gevallen tijdig gewaarschuwd zijn.

Dat ook bonte kleuren en eigenaardige lichaamsvorm beschermende betekenis hebben, laat zich niet zo dadelijk indenken, want in een dierentuin zie je toch de prachtig

Sluiten