Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onze wet, de oogen te sluiten voor haar tekortkomingen x). De bestudeering van de Fransche wet van 1930 leidde er uiteraard dikwijls toe, dat hier speciaal de tekortkomingen werden belicht.

Als tweede uit onze studie te trekken conclusie meenen wij naar voren te mogen brengen, dat, wanneer een herziening van onze verzekeringswetgeving aan de orde zal worden gesteld, onze wetgever goed zal doen de Fransche wet van 1930 te raadplegen. Op welke punten deze wet ons wel en op welke punten zij ons niet tot leering kan strekken, bleek reeds uit het bovenstaande. Wanneer wij hier nog even resumeeren, dan brengen wij als verdiensten in het bijzonder in herinnering : de wijze van ontstaan van de wet 2), de regeling van den aanmeldingsplicht van den verzekerde, de belangwekkende en juiste bepalingen inzake de tusschentijdsche risicoverzwaring, de regeling inzake de eigen schuld van verzekerde en de bepalingen betreffende de premiebetaling. Wij herinneren voorts aan het imperatief stellen van een aantal regelingen, welke in het belang van de verzekerden zijn getroffen ; men denke o.a. aan de bepalingen inzake den duur van de verzekeringsovereenkomst en aan het verbod van enkele — voor de verzekerden bezwaarlijke — clausules en aan de regeling van de rechterlijke competentie. Wij herinneren voorts aan het feit, dat, behalve de brandverzekering, ook enkele van de andere belangrijke soorten van „landverzekering" de aandacht van den Franschen wetgever hadden 3), zonder dat men in de fout vervallen is (o.a. van den Duitschen wetgever) om al te zeer in de details af te dalen ; wij herinneren tenslotte aan de duidelijke redactie van de wet en aan de (ofschoon hier niet aan de orde zijnde) zeer belangwekkende bepalingen inzake de levensverzekering.

Terecht waren wij in 1838 trotsch op onze artikelen over de „landverzekering ' ; sindsdien is er evenwel veel veranderd; uit de inleiding bleek al, hoe de laatste decennia het verzekeringsrecht schier overal vernieuwd werd ; onze voorsprong van een eeuw geleden is inmiddels in het tegendeel verkeerd. Van een

x) Merkwaardig genoeg stuit men in onze literatuur herhaaldelijk op plaatsen waaruit blijkt, dat men dit wel schijnt te doen. Men vindt herhaaldelijk bij één en denzelfden schrijver een lofzang op de verzekeringsbepalingen van ons Wetboek van Koophandel, terwijl iets verder — bij denzelfden schrijver -—■ blijkt, dat er van deze bepalingen weinig deugt. Als voorbeeld leze men: van Schevichaven, „Korte juridische beschouwingen over het contract en het bedrijf der levensverzekering". Men leze ook: Nolst Trénité, ad 251 W. v. K„ blz. 149, v.

,?) Bedoeld wordt: niet de lange duur er van, maar de wijze waarop uiteindelijk, door een betrekkelijk kleine commissie van deskundigen, de tekst werd opgesteld; men zie hierboven, blz. 16.

ï -i 'u ■?'' ^e\ C''m' L'a' wi) 'en aanzien van de bepalingen inzake de aansprakelijkheidsverzekeringen voorbehoud moesten maken voor wat de mérites betreft.

Sluiten