Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STELLINGEN.

I. De IXe en Xe Titel van het eerste Boek van het Wetboek van Koophandel behoeven dringend herziening.

II. Overheidstoezicht op de schadeverzekeringmaatschappijen is gewenscht; dit toezicht blijve beperkt tot een controle op de solvabiliteit.

III. Ten onrechte is Schorer van meening („Het beroepsgeheim in de rechtspleging", Praeadvies Ned. Advocaten Vereeniging, 1931, opgenomen in Advocatenblad 1931; blz. 135), dat de raadsman van den curandus ook tegenover den faillissementscurator aan zijn beroepsgeheim gebonden is.

IV. Het toekennen van „smartegeld" bij schadeacties ingevolge de artt. 1406 en 1407 B.W. is in strijd met de wet en bovendien gevaarlijk voor de publieke moraal; de ervaring in andere landen heeft dit laatste duidelijk bewezen.

V. Wanneer tijdens een procedure een der procespartijen overlijdt, is het appèl, ingesteld door den, van dit overlijden onkundig zijnden, gemachtigde van den overledene, op grond van art. 1855, le lid, B.W., ontvankelijk.

VI. De strafbedreiging van de artt. 307 en 308 Wetboek van Strafrecht is onder huidige omstandigheden onvoldoende.

VII. Het in sommige landen veelvuldig voorkomen van „crimes passionnels kan niet uitsluitend of hoofdzakelijk als een gevolg van het temperament van de bevolkingen dier landen beschouwd worden; jury-rechtspraak en sensatiepers zijn hiervoor in de eerste plaats aansprakelijk.

Sluiten