Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woeker en meineed (Loyseau, § 71). De capitularia begunstigden dit streven door den bisschoppen het algemeen toezicht op de zeden op te dragen en hen te belasten met de bestrijding van bepaalde misdrijven.

Ut Episcopi incestuosos puriter investigare studeant omnino praecipimus 48).

Ut de incestis & criminosis magnam curam habeant sacerdotes, ne in suis pereant sceleribus, & animae eorum a districto judice Christo eis requirantur 49).

De Kerk had dus, wij resumeeren even, in den loop der eeuwen, ten gevolge van begunstiging en welgezindheid van keizers en koningen, door hare mindere gestrengheid in de toepassing van straffen, haren roep van strikte rechtvaardigheid en zeldzame bekwaamheid, hare hoedanigheid van toevlucht voor allen die door het geweld der feodale maatschappij dreigden overmeesterd te worden en door eigen machtsbewustwording een groote mate van jurisdictie over personen en zaken gekregen. De vorm waarin deze rechtspraak werd uitgeoefend maakt het onderwerp uit van de volgende paragraaf.

§ 3. De vormen der kerkelijke jurisdictie.

De beschouwing der Kerk over het wezen van de straf is voor de ontwikkeling van den vorm van het strafproces van vèrstrekkenden invloed geweest. Haar eenige en tevens hoogste doel met het opleggen van een bepaalde straf bestond in haar heilige roeping om den schuldige met God te verzoenen. Daarom is haar straf voor den zondaar een weldaad en geen leed. En juist daarom zal de Kerk er ook nooit vrede mee kunnen hebben om de vervolging van het i misdrijf aan de beleedigde partij over te laten50). Niet déze moet den schuldige ter verantwoording roepen, maar de Kérk, die ook zonder aanklager den schuldige moet opsporen en berechten. Het zou dan ook niet te verwonderen zijn, als wij de Kerk het

48) Capitularia, lib. V, CLXV, Bal. I, 856.

49) Idem, lib. VI, CVI, bal. I, 940.

50) Emil friedberg. Das Kanonische und das Kirchenrecht. Leipzig, 1896. Tasu sacardotes, quam reliqui fideles omnes, summam curam habere debent de

his, qui percunt. c. 14, C. XXIV, q. III.

Sluiten