Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door een regterlijk onderzoek, aan alle geregtelijke instructie moetende voorafgaan, was gezorgd, dat niemand aan wien eenig misdrijf wordt ten laste gelegd, ligtvaardig van zijne vrijheid wordt beroofd, of door eene regterlijke vervolging in zijne eer gekrenkt rake35).

Bij het afdeelingsonderzoek (eind 1828—eerste maand 1829) stelde men zich de vraag hoe de individueele vrijheid der ingezetenen te vereenigen met hun individueele veiligheid', hoe te zorgen dat éénerzijds de schuldige niet aan de nasporing en de straffende hand der Gerechtigheid zou ontkomen, maar dat ook van de andere zijde geen onschuldige zou worden getroffen, dat hij zelfs die voor schuldig wordt gehouden, van geene zijner regten meerder misse, dan voor de handhaving der wet en der maatschappelijke orde onvermijdelijk is. (VOORDUIN, ibidem XI/XII.)

Men erkende, dat bij het ontwerp ruimschoots gezorgd was voor de individueele vrijheid der ingezetenen, doch men betwijfelde of hetzelve aan de justitie wel de noodige middelen in handen gaf, om ter ontdekking van den dader en ter bemeestering van zijn persoon, met dien spoed te handelen, welke onmisbaar is tot bestraffing van het kwaad, ja ter afschrikking van hetzelve dikwijls meer nog werkt dan de gestrengheid der straffen. Van de andere

meer in het oog moeten houden. Men had den aard van het nederlandsche volk, hetwelk altoos zijne vrijheden op hoogen prijs heeft gesteld, moeten volgen. Men had de verlichting van den tijd en van de natie moeten raadplegen. en de gevestigde denkbeelden omtrent het dierbaarst eigendom van den mensch, zijne vrijheid, meer moeten eerbiedigen. Dit doende, zoude men begrepen hebben, dat een Wetboek uit de hevigste stuiptrekkingen van het fransch Keizerlijk despotismus voortgekomen, nimmer geschikt was, om onder de vrij- en edeldenkende regering van onzen geeerbiedigden Koning, onder het bestaan van het charter zijner blijde inkomste, bij het gevoel, hetwelk wij, Nederlanders, door den Koning als zijne medeburgers begroet en erkend, van onze eigen waarde hebben, tot model eener vaderlandsche wetgeving te kunnen dienen. —

Met één woord door het ontwerp van Wetboek zijn wij niets verbeterd, en zullen over het geheel van ergere conditie zijn geworden, altoos blootgesteld aan het gevaar van het genot onzer vrijheid voor de minste afwijking, zonder vonnis en zelfs zonder regterlijk decreet, te kunnen verliezen. (Bladz. 2/5.)

35) J. C. VOORDUIN. Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche wetboeken.

VI Deel. I Deel. Inleiding XI.

Sluiten