Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De groote politieke gebeurtenissen in het buitenland, de Fransche revoluties van 1789, 1830 en 1848, veroorzaakten niet alleen in Frankrijk zelf, maar ook in Duitschland, een belangrijke ommekeer in de beginselen bij de strafprocedure gehuldigd.

De doorwerking, ook te onzent op politiek terrein duidelijk merkbaar, liet het strafproces onaangeroerd. Wel werd, alleen veel later, door A. DE PlNTO in zijn „Wetboek van Strafvordering" de kwestie van de toekenning van rechten aan den beklaagde aangeroerd, maar de beraadslagingen in de Tweede Kamer van 16-101885 lieten aan duidelijkheid niets te wenschen over. (Bladz. 217.)

Eerst in het eerste kwart der twintigste eeuw openbaart zich een steeds sterker wordende geestelijke strooming, welke in stijgende mate rekening wil houden met de rechten der individuen 65).

In dit tijdvak valt ook het verschijnen van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, door dienzelfden individualistischen geest geinspireerd.

Maar omstreeks dezen tijd is ook reeds de reactie ingezet tegen de „individualiseerende atomiseerende stroomingen, begonnen met de vroege Renaissance"66), naar hier overgewaaid omdat „wanneer het elders stormt, het gewoonlijk bij ons ook waait", en men „op den duur ideeën niet kan stuiten aan willekeurige landsgrenzen"67).

Een universalistische tendenz, welke de rechten van de gemeenschap, boven alles, op den voorgrond plaatst, doet zich ook te onzent gelden.

Haar invloed op het strafproces en de positie van den verdachte wordt door HOOYKAAS aldus beschreven:

„Een gevolg van den universalistischen inslag van het strafprocesrecht, betreft de positie van den verdachte in het strafgeding. De individualistische beschouwing is geneigd uit te gaan van een tegenstelling voor den strafrechter tusschen des verdachten belangen en de belangen van de gemeenschap. Dit standpunt voert tot een streven, de veronderstelde belangen van den verdachte te beveiligen.

Indien men het strafproces ziet als in de eerste plaats leidend tot een zedelijke beoordeeling der gepleegde handelingen, beoordee-

65) Blok Besier. Het Nederlandsche strafproces. 1925, bladz. 125.

6B) I. P. hooykaas. De toekomst van het strafrecht. T. v. S. 1936, bladz. 407.

°7) W. A. bonger. Het „nieuwe" strafrecht. K. M. 1935, bladz. 237.

Sluiten