Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„bewindvoerders de onder-bewindstelling tegen de bedoeling „van den erflater zonder uitwerking zou blijven; dat het artikel „ook niet uitsluit, dat onder het geval, dat de bewindvoerder „ontbreekt, begrepen wordt, dat hij ontbreekt omdat hij niet is „aangewezen".

Het inleidend verzoekschrift (vervolg).

Door den eisch, dat ieder verzoekschrift op een bijzondere wetsbepaling moet steunen, wordt, zooals ik hierboven reeds zeide, het speciale karakter van het verzoekschrift in hoofdzaak bepaald. Alle verzoekschriften n.1., die op eenzelfde wetsbepaling steunen, zijn, afgezien van feitelijke verschillen, in wezen volkomen gelijk: in al deze verzoekschriften wordt den rechter op gelijksoortige gronden de verwezenlijking van hetzelfde rechtsgevolg gevraagd. Hierdoor kan men alle verzoekschriften zeer gemakkelijk onderverdeelen in een even groot aantal „soorten", als er wetsbepalingen zijn, waarin een bepaalde opdracht tot vrijwillige rechtspraak aan den rechter wordt gedaan. Het feit nu, dat alle verzoekschriften, die tot eenzelfde „soort" behooren, op een aantal feitelijke verschillen na practisch aan elkaar gelijk zijn, zoodat de inhoud van een bepaald verzoekschrift vrijwel woordelijk vaststaat, wanneer de „soort" van dat verzoekschrift en de noodige feitelijke gegevens bekend zijn, geeft aan het verzoekschrift in het algemeen in hooge mate het karakter van een ingevuld formulier, waaraan alleen door het feitelijke deel een weinig kleur wordt gegeven.

Een tweede factor, die hier van beteekenis is, wordt gevormd door het feit, dat de rechter bij de procedures van vrijwillige rechtspraak niet lijdelijk is 12) en in staat zich steeds alle gewenschte nadere inlichtingen te doen verstrekken. Indien men dus de toepassehjke wetsbepalingen in acht neemt en er voor zorgt, dat in het verzoekschrift voldoende feiten gesteld zijn om daarop het verzoek te kunnen gronden, zoodat men voor een niet-ontvankelijk verklaring gevrijwaard is13), dan kan men in

ia) Zie hierover nader Hoofdstuk II § 3.

la) Zie omtrent de wenschelijkheid om bij procedures van vrijwillige rechtspraak met niet-ontvankelijk verklaring zuinig te zijn: Hoofdstuk II § 3 onder „Conclusies" en onder „Jurisprudentie" sub III.

Sluiten