Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF IN HET GEMEENTELIJK BESTEL

aan den Staat toebehoorende bedrijven en diensten behandelt, maakt een indeeling in drie groepen, 1 °. Erwerbsunternehmungen, 2°. anstaltliche Unternehmungen, 3°. gemeinniitzige Unternehmungen. De eerste en de derde groep staan scherp tegenover elkaar: bij de ondernemingen van de eerste soort wordt het maken van winst beoogd, de derde groep dient slechts de verzorging van algemeene of sociale belangen zonder winst na te streven. Tusschen beide groepen bevindt zich die der anstaltliche Unternehmungen, die vóór alles de verzorging van algemeen-economische of van staatsbelangen ten doel hebben, doch daarnaast een goede rentabiliteit van het daarin belegde kapitaal nastreven.

De wijze, waarop Ried de verschillende soorten ondernemingen bij deze drie groepen onderbrengt, is zeker niet passend voor de Nederlandsche verhoudingen. Zoo rekent hij tot de Erwerbsunternehmungen (naast brouwerijen, mijnen en lucifersfabrieken) gas- en electriciteitsbedrijven en badhuizen, die ten onzent beter onder de tweede en de derde groep zouden worden gerubriceerd.

De indeeling zelf acht ik echter van veel waarde. Het criterium „aanwezigheid van winstoogmerk" is zeker voor een onderscheiding van belang, doch niet voldoende. De indeeling van Ried erkent daarenboven de in de practijk zoo veel voorkomende tusschenvormen, waarbij naast het behartigen van een algemeen belang, dat het hoofddoel is, getracht wordt een gunstige rentabiliteit te bereiken.

Een op hetzelfde beginsel berustende indeehng, die mij echter voor de Nederlandsche toestanden nog meer bevredigend voorkomt, maakt Jürgen Brandt in zijn „Die wirtschaftliche Betatigung der öffentlichen Hand" l). Hij onderscheidt Erwerbsbetriebe, Versorgungsbetriebe en Anstalts- oder Wohlfahrtsbetriebe. De Erwerbsbetriebe beoogen voornamelijk het maken van winst. De derde groep wil in hoofdzaak algemeene en sociale belangen dienen. De tweede groep staat tusschen beide in, zij wil in algemeene behoeften voorzien en daarnaast zoo mogelijk haar onkosten dekken. Als voorbeelden van Versorgungsbetriebe (de tweede groep) noemt Brandt gas-, water- en electnciteitswerken, onder de Anstalts!) Jena 1929, blz. 12—16.

Sluiten