Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF VOLGENS DE GEMEENTEWET

van de gemeentebedrijven getuigt dan de latere wetsvoorstellen, die dit vraagstuk uitsluitend uit het gezichtspunt van het comptabel beheer hebben bezien.

De voornaamste inhoud van het ontwerp, voor zooveel de bedrijven betreft (het ontwerp handelde ook over andere onderwerpen), is de volgende.

De bevoegdheid van de gemeenten om bedrijven uit te oefenen zou worden beperkt tot eenige categorieën 1).

In de wet zou een afzonderlijke titel „Van de gemeentelijke bedrijven" worden gebracht. De bepalingen daarvan zouden gelden 1°. voor de echte bedrijven, 2°. voor gemeente-instellingen en -inrichtingen, strekkende tot behartiging der gemeentezorg voor de openbare gezondheid en reinheid, die tevens tegen geldelijke vergoeding werkzaamheden verrichtten voor of diensten bewezen of leveringen deden aan bijzondere personen, 3°. elke andere gemeente-instelling of -inrichting, of tak van gemeentedienst, waarvan de geldmiddelen, krachtens een besluit van den Raad, afgescheiden van de overige geldmiddelen der gemeente werden beheerd. Naast de echte bedrijven kende het ontwerp dus twee soorten oneigenlijke bedrijven. De hierboven sub 2°. genoemde waren volgens de Memorie van Toelichting diensten, welke, in hoofdzaak strekkende tot vervulling van de taak, die der gemeente als overheidslichaam is opgelegd, ter bevordering van het betrokken algemeen belang, nevens de overheidszorg tevens voor particulieren tegen vergoeding een en ander verrichtten. De tweede soort, sub 3°. genoemd, was die van de diensten, waaraan om administratieve redenen de bedrijfsvorm zou worden gegeven.

De Raad zou een verordening op het bedrijf moeten vaststellen, welke de goedkeuring van Gedeputeerde Staten zou behoeven. Die verordening zou volgens het ontwerp moeten bevatten: een omschrijving van den aard en den omvang van het bedrijf, de regeling van het bestuur en de inrichting,

voorschriften omtrent het beheer der kas, de boekhouding, het toezicht op de boeken en kas, de inrichting van de begrooting en de

*) Zie hoofdstuk II § 3.

Sluiten